DEEL 7 — Het telefoontje in de auto
In de auto bleef ik even stil zitten met mijn handen op het stuur. Mijn hartslag begon langzaam te dalen, plaatsmakend voor een diepe, bevrijdende rust. Mijn telefoon begon te trillen in mijn tas. Ik haalde het toestel tevoorschijn en zag het scherm oplichten met de naam van onze zoon Lucas.
"Mam? Waar ben je?" klonk zijn stem bezorgd aan de andere lijn. "Sophie vroeg of je nog terugkomt. En... vader is hier weer verschenen."
Ik fronste mijn wenkbrauwen. "Is Richard alweer in het ziekenhuis?"
"Ja, hij kwam net binnenstormen, helemaal wit weggetrokken en woedend," zei Lucas met gedempte stem. "Hij wilde Sophie spreken, maar ik heb hem de gang op gestuurd. Hij is aan het bellen met iemand over het bedrijf. Hij schreeuwt tegen de directeur van de bank."
Een bitter glimlachje verscheen op mijn lippen. Hij probeerde de brand te blussen met zijn gebruikelijke agressie, niet beseffend dat het water allang was opgeraakt.
"Maak je geen zorgen, Lucas," zei ik rustig. "Ik ben onderweg naar jullie toe. En vertel je vader maar vast één ding, als je hem weer ziet."
"Wat dan, mam?"
"Vertel hem dat de handtekening onder zijn contracten niet meer geldig is."
Er viel een korte stilte aan de andere kant van de lijn, gevolgd door een scherpe ademhaling van Lucas. Hij begreep direct de reikwijdte van mijn woorden. "Mam... meen je dat?"
"Tot de laatste letter," antwoordde ik. "Tot zo."
Ik hing op, startte de motor en reed de oprit af. De straat, die er al die jaren zo grijs en voorspelbaar had uitgezien, leek nu ineens vol kleur en open ruimte te liggen. De herfstbladeren dansten in de koplampen van mijn auto, alsof ze wilden vieren wat er stond te gebeuren.






