De Vrouw Die Hij Voor Een Vernedering Hield
News Story

De Vrouw Die Hij Voor Een Vernedering Hield

0 weergaven

DEEL 5 — De jacht op het verleden

De ontdekking over de brand in Rotterdam wierp een compleet nieuw licht op alles wat ik van Victor dacht te weten. De man die ik jarenlang had gezien als een ambitieuze, soms egoïstische maar gedreven zakenman, bleek in werkelijkheid een crimineel te zijn die niet had teruggeschedeinsd voor brandstichting om zijn eigen huid te redden. En erger nog: ik was zijn onbewuste schild geweest. Ik had de politie destijds verzekerd dat hij thuis was, terwijl hij waarschijnlijk ergens in een donker industrieterrein in de Rotterdamse haven stond te kijken naar vlammen die alles verzwurgen wat ons leven had moeten opbouwen.

Ik besloot dat ik niet langer kon wachten op wat Maarten of de advocaten zouden ontdekken. Ik moest zelf naar Rotterdam. Ik moest het oude politiedossier zien, de originele brandweerrapporten boven water halen voordat Victor de kans kreeg om eventuele sporen definitief uit te wissen. Want als die anonieme briefschrijver mij wist te vinden, dan wist Victor dat ook. En een wanhopige Victor was in staat tot alles.

Die middag reed ik in mijn eigen Jaguar — een auto die Victor altijd te 'vrouwelijk' vond, maar die tenminste wel op mijn eigen rekening stond ingeschreven — naar de zuidelijke ringweg richting Rotterdam. De lucht was grauw en betrok steeds verder; zware regendruppels tikten tegen de voorruit alsof ze wilden waarschuwen dat ik beter kon omkeren. Maar ik reed door. Mijn vastberadenheid was sterker dan de angst voor wat ik daar zou aantreffen.

In Rotterdam aangekomen parkeerde ik bij een oud, vervallen bedrijventerrein aan de rand van de haven. Het pand waar het vijftjaar geleden allemaal was gebeurd, was inmiddels deels afgebroken en vervangen door een kille, moderne opslaghal van een concurrent. Maar het achterste gedeelte, de oude kelder en de funderingsmuren, stond er nog steeds verlaten bij, omgeven door roestig hekwerk en borden met 'Verboden toegang'.

Ik stapte uit, trok mijn trenchcoat strak om me heen tegen de snijdende wind en liep naar het hek. Het hangslot was oud en doorgeroest; met een flinke ruk aan de ketting, geholpen door een stalen staaf die ik achterin de auto had gevonden, wist ik het los te wrikken. Ik glipte naar binnen en liep over het natte grind naar de plek waar destijds de vlammen woedden.

Toen ik bij de open kelderingang stond, hoorde ik plotseling het geluid van knarsende banden op het grind achter me.

Ik draaide me abrupt om.

Een zwarte sedan stond dwars over de ingang geparkeerd. De koplampen verblindden me in de grauwe namiddag. De portier opende zich en een gestalte stapte uit. Het was niet Victor. Het silhouet was te lang, te breed, en de manier waarop de persoon liep had niets weg van Victor's nerveuze pas.

"Mevrouw Van Dijk," klonk een diepe, onbekende stem door de regen. "Ik had niet verwacht dat u zo snel zou happen op een eenvoudig briefje."

De man trad uit de schaduw van de koplampen. Het was een man van middelbare leeftijd met een litteken over zijn linkerwang en ogen die kil en berekenend aanvoelden. Ik kende hem niet, maar zijn blik verraadde dat hij mij door en door kende.

"Wie ben jij?" vroeg ik, waarbij ik mijn best deed om mijn stem niet te laten trillen. "En wat heb jij met die brand te maken?"

De man glimlachte flauw, een grimas die meer weg had van een dreiging dan van een begroeting. "Ik ben degene die vijf jaar geleden de jerrycans voor uw lieve man heeft aangesleept, mevrouw Van Dijk. En geloof me... Victor is u vergeten te betalen voor die diensten. Nu is het tijd dat iemand anders de rekening oppakt."