Deel 8: De Nachtelijke Achtervolging
De scherpe geur van buskruit hing in de kleine studeerkamer nadat het schot was gevallen. De reus met het litteken deinsde achteruit, zijn ogen ongelovig gevestigd op het vuurwapen in James’s hand. Maar voordat hij kon herstellen van de schrik, sloeg het noodstroomaggregaat van het huis aan. Alle lichten sprongen weer fel aan, en het luidruchtige alarmsysteem begon loeiend te lozen.
"Maak dat je wegkomt!" schreeuwde James met een stem die geen tegenspraak duldde, terwijl hij het wapen strak op de man gericht hield.
De indringer aarzelde, wierp een vernietigende blik naar Connor die nog steeds met de vaas stond te trillen, en rende toen hals over kop de gang in, achternagezeten door het geluid van piepende banden buiten die aangaven dat zijn handlangers het hazenpad kozen.
James rende meteen naar Connor toe, trok de vaas uit zijn kleine handen en sloot hem in zijn armen. "Gaat het met je?" vroeg hij hijgend.
Connor knikte, hoewel zijn hele lichaam beefde. "Ik... ik wilde alleen oom Tommy helpen," fluisterde de jongen.
"Dat weet ik, jongen. Dat weet ik," zei James zacht, terwijl hij hem over zijn haar streek.
Beneden kwam Sarah de trap op gerend, met Elliot strak tegen zich aangedrukt. Ze zagen er witjes uit, maar gelukkig ongedeerd. "De politie is onderweg," zei Sarah, hoewel haar stem nog steeds natrilde van de schrik. "Ik hoorde de sirenes in de verte."
"Niet alleen de politie," klonk Tommy’s stem vanaf het balkon. Hij stond bij de glazen deur die uitkeek op de oprijlaan en wees naar buiten. "Kijk daar!"
James liep naar het raam en keek naar buiten. Twee politiewagens waren inderdaad gearriveerd bij de geforceerde poort, maar achter hen stopte nog een derde voertuig – een zwarte terreinwagen waar Arthur Vance eigenhandig uit stapte, flankerend door twee mannen in uniform die verdacht veel weghedden van corrupte agenten. Vance zag er woedend uit. De mislukte intimidatiepoging had hem zijn masker gekost; zijn gezicht stond strak van pure frustratie nu zijn huurlingen waren gevlucht en de politie ter plaatse was.
"Blijf hier," beval James aan zijn familie en Tommy. Hij liep vastberaden naar beneden, de voordeur uit, recht op Vance en de agenten af.
"Meneer Mercer!" riep een van de toegesnelde agenten, wiens naamplaatje Miller vermeldde – geen familie van Tommy, maar wel een bekende van Vance. "We kregen een melding van een vuurwapen en een inbraakpoging. U wordt verzocht onmiddellijk dat wapen neer te leggen en uitleg te geven over waarom u hier geweld gebruikt."
James glimlachte bitter. Het net sloot zich, maar niet op de manier waarop Vance had gehoopt. Want op dat exact moment reed er nóg een wagen de oprit op – een wagen met de opdruk van de federale politie en een officier van justitie die James al kende van eerdere zakelijke projecten.
"Meneer Vance," riep de officier van justitie luid en duidelijk over het grind, terwijl hij zijn portier opentrok. "U wordt gearresteerd op verdachtmaking van brandstichting, bedreiging en samenzwering tot huisvredebreuk."
Vance’s gezicht betrok in absolute schrik. Maar voordat de handboeien konden worden omgeslagen, deed Vance iets dat alles op scherp zette – hij greep een van de agenten bij zijn arm en fluisterde iets dat de loop van het onderzoek voorgoed zou veranderen...






