Deel 5: De Man in het Maatpak
De zwarte sedan glansde in de late middagzon, een schril contrast met de verkoolde muren van het appartementencomplex achter hen. De man in het dure maatpak – Arthur Vance, de beruchte projectontwikkelaar van de wijk – liep met trage, zelfverzekerde stappen richting het politielint. Zijn schoenen klikten ritmisch op het asfalt. Hij keek niet naar de brandweerlieden, noch naar de geschokte buurtbewoners die op een afstandje stonden toe te kijken. Zijn ogen waren direct gericht op Tommy Miller en de vreemdeling in de nette kleding die bij hem stond: James Mercer.
"Meneer Miller," zei Vance met een stem die olieachtig glad klonk, doorspekt met een neppe hartelijkheid. "Ik hoorde het vreselijke nieuws over de brand. Wat een verschrikkelijke tragedie voor u en uw jonge neefje. Gelukkig maakt u het goed, zo te zien."
Tommy sprong overeind, zijn vuisten strak gebald aan zijn zijde. Zijn gezicht stond strak van opgekropte woede. "Jij weet drommels goed wat hier is gebeurd, Vance!" snauwde hij, terwijl hij een stap naar voren deed. "Jij hebt gedreigd me eruit te gooien als ik vandaag niet betaalde! En nu brandt de kelder af?"
Vance trok zijn wenkbrauwen op en deed alsof hij diep beledigd was. Hij legde demonstratief zijn hand op zijn borst. "Pas op met uw woorden, meneer Miller. Brandstichting is een ernstige beschuldiging. Ik ben een zakenman, geen misdadiger. Mijn advocaten zouden een dergelijke lasterlaster niet waarderen." Hij glimlachte kil. "Bovendien verloopt uw huurcontract vandaag om middernacht definitief. Zonder het achterstallige geld kunt u hier sowieso niet meer terecht. Brand of geen brand."
De arrogantie waarmee Vance sprak, deed de haren op James’s armen overeind staan. James stapte rustig tussen Tommy en de projectontwikkelaar in. Hij was een kop groter dan Vance en straalde een natuurlijke autoriteit uit die de glimlach van de ontwikkelaar voor een fractie van een seconde deed haperen.
"En u bent?" vroeg Vance met een neerbuigende blik, terwijl hij James van top tot teen opnam, waarbij zijn ogen bleven hangen op het horloge van James.
"James Mercer," antwoordde James met een ijskoude kalmte. "En ik ben de persoon die ervoor gaat zorgen dat u uw tanden breekt op deze zaak, meneer Vance."
Vance lachte kort, een sardonisch geluid. "Een weldoener zeker? Er lopen genoeg sukkels rond in Austin, maar vergissen jullie je niet. Dit vastgoed is miljoenen waard. Dit pand gaat plat, of jullie nu meewerken of niet." Hij keek even naar de jonge Connor, die achter Elliot stond en bang toekeek. "Zielige verhalen veranderen niets aan cijfers op een balans."
Voordat Tommy kon exploderen van woede, legde James een kalmerende hand op zijn schouder. James haalde zijn eigen telefoon tevoorschijn, tikte op het scherm en hield het toen op enkele centimeters afstand van Vance's gezicht. Op het scherm speelde een haarscherpe videobeelden af – opgenomen door de dashcam van James's SUV die schuin was opgesteld. Daarop was duidelijk te zien hoe een man in een jas met het logo van Vance's eigen vastgoedbedrijf een jerrycan bij het kelderraam neerzette nog geen uur voordat de brand uitbrak.
De kleur trok direct weg uit het gezicht van Arthur Vance. Zijn gemaakte glamilach verdampte in een ijskoude blik van pure haat.
"Dit gaat naar de politie en naar de hoofdredacteur van de Austin Chronicle," zei James zachtjes, zodat alleen Vance het kon horen. "Tenzij u vandaag nog afstand doet van elke vordering op de huur van de heer Miller, en de komende week de volledige schade vergoedt."
Vance perste zijn lippen op elkaar. Hij keek naar James, naar de politieagent die in de verte al onze kant op keek, en toen naar de dashcam. "Je speelt een gevaarlijk spel, Mercer," fluisterde Vance dreigend. "Je weet niet met wie je te maken hebt."
"Dat is wederzijds," antwoordde James onvermurwbaar.
Vance draaide zich abrupt om, stapte in zijn zwarte sedan en scheurde weg met rokende banden. Maar terwijl James dacht dat hij de eerste slag had gewonnen, wist hij niet dat Vance’s invloed veel dieper reikte dan de lokale politie – en dat de echte storm nog moest losbreken...






