DEEL 6 — Het spoor naar het klooster
De zwarte terreinwagens kwamen met een angstaanjagende snelheid dichterbij. Hun grote lichten sneden door de kletsnatte nacht. Elena klemde haar handen zo stevig om het stuur dat haar knokkels spierwit zagen.
"Wat moet ik doen, Maria?" schreeuwde ze paniekerig boven het kletteren van de regen uit. "Ze gaan ons rammen!"
"Blijf rijden! Neem de eerstvolgende afslag, hoe smal ook!" riep ik terug, terwijl ik wanhopig in de buitenspiegel keek.
De voorste wagen kwam naast ons rijden. Ik kon de contouren van een man op de bijrijdersstoel zien. Hij gebaarde wild dat we moesten stoppen. Toen Elena niet reageerde, stuurde de zwarte wagen abrupt naar rechts en beukte tegen de zijkant van onze auto.
Een hard gietijzeren geluid van schurend metaal vulde de cabine. De auto slingerde gevaarlijk over de natte snelweg. Elena gilde, maar ze wist de controle over het stuur te behouden.
"Nu! Afslag Baarle!" schreeuwde ik.
Elena trapte vol op de rem en draaide het stuur scherp naar rechts. De auto gleed over het asfalt, miste op een haar na de vangrail en schoot de afrit op. De achtervolgers, die te hard reden om de plotselinge manouvre te maken, schoten voorbij en moesten honderden meters verderop in de ankers om te keren.
Dat gaf ons een voorsprong van hooguit een minuut. Elena stuurde de wagen een stelsel van smalle, onverlichte polderwegen op. Bomen en heggen flitsten voorbij. Het platteland van de grensstreek was gehuld in een diepe, mysterieuze stilte, alleen onderbroken door het gieren van onze motor.
Na tien minuten kriskras door het polderlandschap te hebben gereden, dook in de verte de silhouet op van een oud, kasteelachtig gebouw met een hoge kerktoren. Het klooster van Onze Lieve Vrouw van de Rozengaard.
"Daar is het!" wees ik.
Elena stuurde de wagen door een openstaand poortgebouw en parkeerde de auto achter een hoge taxusheg, uit het zicht vanaf de weg. We sprongen uit de auto. De koude regen sloeg in ons gezicht, maar we voelden de koud niet meer door de adrenaline.
Het klooster lag er verlaten bij. De hoge, gotische ramen waren donker. We haastten ons naar de zware houten poort van de kapel. Ik pakte de koperen sleutel – de sleutel waarvan Victor dacht dat hij voor een kluis in Brussel was – en keek naar het sleutelgat van de kloosterdeur.
Het slot was oud, groot en van gesmeed ijzer. De koperen sleutel leek veel te klein en te modern.
"Het past niet," zei Elena wanhopig, terwijl ze achterom keek naar de weg. "Maria, het past niet!"
"Denk na, Maria, denk na..." mompelde ik tegen jezelf. Thomas was een meester in het verbergen van dingen. Waarom zou hij deze sleutel in de doos stoppen als hij niet op het klooster paste?
Ik bekeek de koperen sleutel nauwkeuriger onder het licht van mijn zaklamp. De sleutel had een holle schacht. Aan de achterkant zat een klein, nauwelijks zichtbaar schroefdraadje. Ik begon eraan te draaien. Na drie slagen kwam de buitenste huls van de sleutel los.
Er kwam een veel kleinere, verfijnde baardsleutel tevoorschijn, verborgen binnenin de grotere sleutel!
Ik stak de kleine sleutel in een klein, bijna onzichtbaar gat onder de grote deurknop. Een droge, metalen klik klonk door de nacht. De zware houten deur zwaaide langzaam naar binnen open.
We glipten snel naar binnen en duwden de deur dicht. Het was ijskoud binnen in de kapel. De geur van wierook, oud hout en vochtig steen vulde de ruimte. Hoge marmeren zuilen reikten naar het duistere plafond. Aan het einde van het gangpad stond een groot altaar met een beeld van de Heilige Maagd Maria, omringd door gebeeldhouwde rozen.
"Waar moeten we zoeken?" fluisterde Elena. Haar stem echode zachtjes door de enorme ruimte.
Ik haalde het dagboek tevoorschijn en bladerde naar de tekening. "Onder de vierde tegel vanaf de voet van het altaar. Er moet een afbeelding van een roos op staan."
We haastten ons naar het altaar. Ik scheen met de zaklamp op de vloer. De marmeren tegels waren versleten door de eeuwen heen. Eén, twee, drie, vier... Op de vierde tegel was inderdaad een vervagende gravure van een roos te zien.
Ik knielde neer. De tegel lag iets losser dan de anderen. Met behulp van mijn nagels en het zakmesje dat ik in Victors auto had gevonden, wrikte ik de marmeren plaat omhoog.
Onder de tegel bevond zich een klein, metalen kistje, verpakt in geolied linnen om het tegen vocht te beschermen.
Mijn handen trilden toen ik het kistje eruit tilde. Dit was het. Het levenswerk van Thomas. Het geheim dat hem zijn leven had gekost.
Toen we het linnen eraf wikkelden, hoorden we buiten het klooster het geluid van remmende auto's. De koplampen van de zwarte terreinwagens schenen door de glas-in-loodramen van de kapel en wierpen spookachtige, gekleurde schaduwen op de muur.
"Ze zijn er," fluisterde Elena met een van angst verstikte stem.
Er werd zwaar op de houten kloosterdeur geslagen. "Maria! Maak open! Je kunt nergens meer heen!" riep een harde stem van buiten.
Ik negeerde het roepen en opende het metalen kistje. Binnenin lag een stapel microfilms, een reeks originele documenten met officiële stempels van de Nederlandse en Belgische overheid, én een audiotape.
Bovenop de documenten lag een handgeschreven brief van Thomas, rechtstreeks aan mij gericht.
Ik opende de brief en las de eerste regels:
'Liefste Maria. Als je dit leest, ben ik er niet meer. De documenten in dit kistje bewijzen een samenzwering die reikt tot in de hoogste regionen van de politiek. Maar het belangrijkste wat je moet weten, is dat de man die aan het hoofd staat van deze organisatie niet een vreemde is. Het is iemand die je heel goed kent. Iemand uit onze eigen familie...'
De zware houten poort van het klooster begaf het onder een krachtige stoot en werd met een donderend razen ingeramd.
Mannen in zwarte kleding stormden het schip van de kerk binnen, hun wapens gericht op het altaar. In het midden van de groep wandelde een man naar voren. Hij droeg een duur maatpak en een mantel over zijn schouders.
Toen hij in het licht van het altaar stapte en zijn hoed afnam, voelde ik het bloed uit mijn gezicht wegtrekken.
Het was niet Victor. Het was niet een anonieme politicus.
Het was mijn eigen zoon, Julian.
"Hallo moeder," zei Julian met een kille, strakke glimlach. "Geef me de documenten van vader. Nu."






