De vrouw die mij nooit vergat
News Story

De vrouw die mij nooit vergat

9 weergaven

DEEL 12 — Het neusje van de zalm

Mijn hart sloeg een slag over. De hectiek van het volle station van Rotterdam leek op slag te vervagen tot een dof achtergrondgeluid. Daar, op nog geen twintig meter afstand, stond mijn zoon. Zijn blik was niet meer de blik van de zelfverzekerde politicus, noch die van de gebroken man in de boeien. Het was de woeste, wanhopige blik van een opgejaagd dier dat niets meer te verliezen had.

"Maria! Luistert u naar mij?" schreeuwde de stem van Inspecteur De Vos door de telefoon. "Zoek dekking! We sturen meteen een team naar het station!"

"Hij... hij staat hier, De Vos," fluisterde ik paniekerig, terwijl ik me achter een groepje reizigers probeerde te verbergen. "Hij is op het perron!"

Julian deed een stap in mijn richting. Ik zag dat hij zijn rechterhand in zijn jaszak hield. Ik wist wat er in die zak zat. hij was niet gekomen om te praten.

"Maria, ren naar de hoofduitgang! Blijf tussen de mensen!" riep De Vos.

Ik bedacht me geen seconde. Ik draaide me om en wroette me een weg door de stroom van forensen die net uit de trein stapten. "Pardon! Neem me niet kwalijk!" riep ik, terwijl ik mensen aan de kant duwde.

Achter me hoorde ik gehaaste voetstappen en een woedend roepen: "Moeder! Blijf staan!"

Ik keek niet achterom. Ik rende zo hard als mijn 67-jarige benen me konden dragen, de roltrap af naar de centrale hal van het station. De angst gaf me een stoot adrenaline, maar mijn longen brandden van de inspanning.

Ik moest Hannah waarschuwen! Als Julian wist van haar bestaan, was haar bloemenwinkel het eerste waar hij naartoe zou gaan als hij mij eenmaal had uitgeschakeld.

Al rennend probeerde ik het nummer van Hannahs winkel te toetsen op mijn telefoon, maar mijn trillende vingers raakten steeds de verkeerde knoppen.

Ik bereikte de drukke stationshal. Honderden mensen liepen kris-kras door elkaar. Ik dook een grote boekenwinkel in en verschool me achter een hoog rek met tijdschriften. Ik bleef hijgend staan, mijn hand op mijn borst geklemd.

Door de glazen wand van de winkel zag ik Julian de centrale hal binnenstormen. Hij keek wild om zich heen, zijn ogen veegden over de menigte. Hij zag me niet.

Snel toetste ik nu wel het juiste nummer van Hannah in. Na drie kiestonen nam ze op.

"De Buitenhof, met Hannah," klonk haar rustige stem.

"Hannah! Luister heel goed naar me!" riep ik fluisterend. "Sluit de winkel! Doe de deuren op slot en ga naar achteren! Nu!"

"Maria...? Wat is er aan de hand? Waarom klinkt u zo paniekerig?"

"Julian is ontsnapt!" schreeuwde ik zachtjes. "Hij weet wie je bent! Hij is in Rotterdam!"

Er viel een korte stilte aan de andere kant van de lijn, gevolgd door het geluid van de winkeldeur die dicht geklikt werd. "Ik doe de sloten erop," zei Hannah met een opmerkelijk kalme stem. "Maar Maria... waar bent u?"

"Ik ben op het station. Ik probeer hem af te leiden..."

Op dat moment voelde ik een ijskoude grip op mijn schouder. Een krachtige hand rukte de telefoon uit mijn hand en smakte het toestel tegen de stenen vloer van de boekenwinkel. Het scherm barstte in duizend stukjes.

Ich draaide me langzaam om.

Julian stond vlak voor me. Zijn gezicht was mager, zijn ogen bloeddoorgelopen. "Aan wie was je dat aan het vertellen, moeder?" vroeg hij met een schorre, hese stem. "Aan mijn 'nieuwe' zusje?"

"Julian... alsjeblieft," smeekte ik. "Het is voorbij. Geef jezelf over. Je maakt het alleen maar erger."

Julian lachte bitter. "Erger? Mijn leven is al ruïne! Ik ben alles kwijt! Mijn carrière, mijn geld, mijn aanzien! En dat allemaal door de dwaze erfenis van vader en jouw bemoeizucht!"

Hij greep me bij mijn bovenarm en duwde me ruw voor zich uit, de boekenwinkel uit, richting een rustigere zij-uitgang van het station waar de taxi's stonden.

"Je gaat me meenemen naar die bloemenwinkel," snauwde hij in mijn oor, terwijl hij de punt van een mes tegen mijn zij duwde onder zijn jas. "Zij heeft vast ook spullen van vader gekregen. Geld, documenten... Ik heb geld nodig om het land uit te komen!"

"Ze heeft niets!" roep ik uit. "Ze wiste tot vandaag niet eens wie haar vader was!"

"Dat zoeken we zelf wel uit," zei Julian koud.

We stapten de regenachtige straat op. Julian duwde me in de richting van een steeg die leidde naar de straat van de bloemenwinkel. De straat was rustig; de meeste mensen waren schuilend voor de hevige regenbuien de winkels ingevlucht.

We bereikten de winkel van Hannah. De gordijnen waren nog steeds dicht en de deur zat op slot, precies zoals ik haar had opgedragen.

Julian beukte met zijn schouder tegen de houten deur. "Maak open! Hannah! Ik weet dat je daarbinnen bent!"

Geen antwoord.

Julian vloekte en haalde een zware stenen tegels uit de border naast de winkel. hij haalde uit en sloeg het glas van de deur aan diggelen. Hij stak zijn hand door het kapotte raam en opende het slot van binnenuit.

Hij duwde mij als eerste de donkere, stille winkel in. "Hannah!" brulde hij. "Laat je zien!"

De winkel rook naar afgesneden bloemen en natte aarde. Er was geen spoor van Hannah te bekennen.

Julian duwde me naar de achterruimte. "Waar is ze?!"

Plotseling klonk er een harde knal achter ons. De zware houten achterdeur werd dichtgeslagen en op slot gedraaid.

Uit de schaduw van de opgestapelde bloemenkisten stapte niet Hannah... maar Inspecteur De Vos, samen met vier zwaargewapende agenten van het arrestatieteam!

"Wapens laten vallen! Nu!" schreeuwde De Vos, zijn pistool strak op Julian gericht.

Julian verstijfde. hij keek wild om zich heen. hij realisseerde zich dat hij in de val was gelopen. Hannah had de politie gebeld op het moment dat ik haar waarschuwde, en De Vos had zijn mannen al rond de winkel geposteerd.

In een vlaag van totale waanzin greep Julian mij en trok me voor zich als menselijk schild, terwijl hij het mes tegen mijn keel hield.

"Terugtrekken!" schreeuwde Julian buiten zinnen. "Laat me gaan of ik snijd haar keel door!"

De agenten bleven roerloos staan, hun wapens gericht. De spanning in de kleine achterruimte was snijdend.

Ik keek in de spiegel van een oude kast aan de muur. Ik zag het gezicht van mijn zoon – verblind door haat en angst. En toen nam ik een besluit. Ik wilde niet langer het slachtoffer zijn. Ik wilde dat deze nachtmerrie voor eens en voor altijd op hield.

Ik keek naar de vloer. Vlak naast mijn voet stond een grote, zware vaas met rozen in ijskoud water.

Ik haalde diep adem, tilde mijn voet op en trapte met al mijn overgebleven kracht met mijn hak op de wreef van Julians voet...