De vrouw die mij nooit vergat
News Story

De vrouw die mij nooit vergat

9 weergaven

DEEL 5 — Het net sluit zich

Mijn hart leek stil te staan. De ijzige realiteit van de woorden in het dagboek drong langzaam tot me door, terwijl de schaduw van Victor in de spiegeling van het raam groter werd. Veertig jaar lang had ik gedacht dat ik mensen kon inschatten, maar in de afgelopen vierentwintig uur was alles wat ik zeker wist over mijn leven en mijn omgeving als een kaartenhuis in elkaar gestort.

"Je had dat boekje niet moeten lezen, Maria," zei Victor. Zijn stem was niet meer de bezorgde, warme stem van de vriend van mijn echtgenoot. Het was een kille, emotieloze Toon.

Ik probeerde mijn ademhaling onder controle te houden, hoewel het voelde alsof er een zware steen op mijn borst lag. Ik draaide me heel langzaam om op mijn stoel. Victor stond daar, met het zwarte pistool strak op mij gericht. Het gedempte licht van de maan die door het raam scheen, liet de metalen loop glanzen.

"Waarom, Victor?" vroeg ik, terwijl ik doorging met praten om tijd te winnen, zoekend naar een mogelijke uitweg. Elena lag nog steeds diep te slapen op de bank aan de andere kant van de kamer. Ze was zo uitgeput dat ze niets merkte. "Thomas beschouwde jou als een broer. Hij heeft je in ons huis verwelkomd. We hebben samen gegeten, verjaardagen gevierd..."

Victor lachte schamper, een geluid zonder enige vreugde. "Thomas was naïef, Maria. Hij dacht dat hij de wereld kon redden door een paar papieren te verbergen. Hij begreep de machtsverhoudingen niet. De mensen voor wie ik werk, bieden dingen die een eenvoudig pensioentje van de overheid nooit kan evenaren. Rijkdom, invloed, veiligheid."

"Veiligheid?" herhaalde ik bitter. "Je bent een moordenaar. Je hebt Thomas vermoord, nietwaar?"

Victor vertrok geen spier. "Het was niet de bedoeling dat hij doodging. Ik wilde alleen de locatie van de kluis in Brussel. Maar zijn hart begaf het tijdens ons... gesprek. Hij was altijd al zwak op dat punt. Maar hij was slim genoeg om de sleutel te verstoppen voordat ik de ruimte kon doorzoeken."

Een vlaag van woede verving de angst in mijn aderen. De man die verantwoordelijk was voor het overlijden van mijn man, de man die mij maandenlang in de waan had gelaten dat Thomas een natuurlijke dood was gestorven, stond nu voor mij te grijnzen.

"En Elena?" vroeg ik, met een knikje naar de slapende vrouw op de bank. "Wat heeft zij hiermee te maken? Waarom bracht ze mij die eten borden?"

Victor keek even naar Elena. "Elena wist van niets. Ze was slechts een instrument. Ik wist dat Thomas een vertrouwensband met haar had opgebouwd in zijn laatste maanden. Ik heb ervoor gezorgd dat zij de doos vond in Thomas' oude schuur, wetende dat haar schuldgevoel over haar eigen eenzaamheid haar ertoe zou dwingen contact met jou te zoeken. Ik moest ervoor zorgen dat jij de sleutel tevoorschijn zou halen. Jij bent de enige die weet hoe de kluis in Brussel moet worden geopend, want de bank vereist een biometrische verificatie of een wachtwoord dat alleen Thomas aan jou heeft kunnen toevertrouwen."

"Ik weet het wachtwoord niet," zei ik eerlijk. "Hij heeft me nooit iets gezegd."

"Dat geloof ik niet," zei Victor, en hij deed een stap naar voren. "Thomas hield te veel van je om jou zonder instructies achter te laten. Denk na, Maria! Wat was zijn laatste woord? Wat zei hij toen hij stierf?"

Mijn gedachten gingen terug naar die vreselijke nacht vijf jaar geleden. Thomas lag in het ziekenhuisbed, zijn hand in de mijne. Zijn lippen bewogen, maar er kwam nauwelijks geluid uit. Ik dacht altijd dat hij mijn naam fluisterde. Maar nu...

‘Rozengaard’, had hij gefluisterd. Ik dacht destijds dat hij hallucineerde over de rozenstruiken in onze achtertuin.

Ik keek Victor recht in de ogen en weigerde toe te geven. "Hij zei niets. Hij hield alleen mijn hand vast."

Victor snauwde geïrriteerd en spande zijn haan van het pistool aan. "Lieg niet tegen me! We vertrekken nu naar Brussel. Jij gaat die kluis voor mij openen, of ik zorg ervoor dat je vriendin hier op de bank nooit meer wakker wordt."

Op dat exacte moment gebeurde er iets onverwachts.

Elena, die blijkbaar al die tijd al wakker was geweest en de situatie had geobserveerd, kwam plotseling overeind van de bank. Met een enorme krachtinspanning pakte ze een zware koperen schemerlamp die op het tafeltje naast de bank stond en haalde met volle kracht uit naar Victors achterhoofd.

De lamp raakte hem met een doffe klap. Victor struikelde naar voren, slaakte een kreet van pijn en liet zijn pistool vallen. Het wapen gleed over de houten vloer in de richting van het raam.

"Maria, ren!" schreeuwde Elena met overslag in haar stem.

Victor herstelde zich sneller dan verwacht. Hij greep Elena bij haar arm en gooide haar tegen de muur. Ze viel kermend op de grond. Victor draaide zich woedend naar mij om, zijn voorhoofd bloedde hevig waar de lamp hem had geraakt.

"Je komt nergens heen!" brulde hij, en hij dook op het pistool af.

Ik twijfelde geen seconde. In plaats van te vluchten, rende ik naar het bureau, pakte de zware houten doos op en slingerde hem met al mijn kracht recht in het gezicht van Victor, precies op het moment dat hij het pistool wou oppakken.

De hoek van de doos raakte hem hard op zijn slaap. Victor zakte in elkaar en bleef roerloos op de vloer liggen.

Ik stond te hijgen, mijn handen trilden onbeheersbaar. Elena krabbelde moeizaam overeind, terwijl ze haar schouder vasthield. "Is hij... is hij dood?" fluisterde ze angstig.

Ik knielde neer en voelde aan zijn nek. "Nee, hij is alleen bewusteloos. Maar we hebben niet veel tijd."

Ik raapte het pistool op van de vloer – een voorwerp dat ik nog nooit in mijn leven had aangeraakt – en stak het in mijn jaszak. Daarna pakte ik de houten doos, de sleutel en het dagboek op.

"We moeten naar Brussel," zei ik tegen Elena. "We moeten er zijn voordat zijn mensen ontdekken dat hij heeft gefaald."

"Hoe gaan we daar komen?" vroeg Elena. "Hij heeft de autosleutels!"

Ik buikte voorover en doorzocht de zakken van de bewusteloze Victor. Ik vond de autosleutels, zijn portemonnee en een mobiele telefoon. Op het scherm van de telefoon flitste een nieuw bericht binnen van een onbekend nummer:

'De kluis in Brussel is onder bewaking gesteld. De koper komt om 09:00 uur. Zorg dat de vrouw er is.'

Ik keek op de klok aan de muur. Het was half vijf 's ochtends. We hadden nog minder dan vijf uur om in Brussel te komen, de kluis te openen en de inhoud te vernietigen voordat de koper zou arriveren.

We snelden naar buiten, stapten in Victors auto en reden de donkere bosweg af. De mist begon langzaam op te trekken, maar de regen kwam nu met bakken uit de hemel.

Terwijl Elena stuurde, sloeg ik het dagboek van Thomas weer open op de laatste pagina's. Ik wilde begrijpen wat 'Rozengaard' betekende.

En toen zag ik het. Op de allerlaatste pagina stond een handgetekende kaart van een klein stadje vlakbij de Belgische grens, met een rood kruisje bij een oud klooster genaamd 'Onze Lieve Vrouw van de Rozengaard'.

Onder de kaart had Thomas geschreven: 'De kluis in Brussel is een val. De echte documenten liggen op de plek waar onze liefde begon.'

Mijn adem stokte. Brussel was een afleidingsmanoeuvre! Thomas had geweten dat Victor hem zou dwingen of dat ze naar Brussel zouden gaan.

"Elena!" riep ik uit. "Verander van richting! We gaan niet naar Brussel. We gaan naar Baarle-Nassau!"

Maar net toen Elena het stuur omgooide om de snelweg af te slaan, zag ik in de achteruitkijkspiegel twee paar felblauwe zwaailichten opduiken. Het waren geen politieauto's. Het waren zwarte terreinwagens die met halsbrekende snelheid op ons inliepen...