DEEL 3 — De schaduw op de trap
Het geluid van de voetstappen op de kraakende houten trap kwam sneller en dichterbij. Elk stap klonk zwaar en resoluut. Elena greep mijn arm stevig vast. Haar knokkels werden wit en ik kon de angst in haar ogen zien.
"We zijn niet alleen," fluisterde ze paniekerig. "Maria, we moeten ons verstoppen!"
Mijn hart klopte zo hard in mijn borstkas dat het pijn deed. In de kleine kantoorruimte waren nauwelijks verstopplekken. Er stond alleen het zware eikenhouten bureau, de dikke stalen kluis en een kledingkast in de hoek. Zonder na te denken trok ik Elena mee naar de houten kledingkast. We wurmden ons tussen een paar oude, stoffige jassen die er al jaren leken te hangen. Ik liet de kastdeur op een klein opstaand spleetje staan, zodat we door de kier naar buiten konden kijken.
De voetstappen bereikten de bovenste verdieping. Het hout van de gang kreunde onder het gewicht van de indringer. Even was het stil. De spanning in de kledingkast was om te snijden. Ik hield mijn adem in, bang dat het geluid van mijn eigen ademhaling ons zou verraden.
Toen verscheen er een figuur in de opening van de deur.
Het was een lange man, gekleed in een donkere regenjas en een platte pet die zijn gezicht grotendeels in de schaduw hield. Hij bleef een moment stilstaan in de deuropening en keek rond in de kamer. Zijn blik bleef even rusten op de brandende kaars op het bureau. Hij slaakte een diepe zucht – een geluid van frustratie.
Toen hij zijn hoofd draaide naar het licht van de kaars, gevangen in het schijnsel van de vlam, stokte mijn adem. De man had een opvallend trekje: zijn linkerarm hing een beetje stijf langs zijn lichaam en hij droeg een gouden ring met een rode steen aan zijn pink.
Mijn gedachten gingen onmiddellijk terug naar vijftien jaar geleden. Thomas had een goede vriend, een man die af en toe bij ons over de vloer kwam voor zakelijke besprekingen. Hij noemde zichzelf 'Victor'. Victor had precies diezelfde houding, dezelfde stijve arm en die opvallende ring. Maar Thomas had me destijds verteld dat Victor bij een auto-ongeluk om het leven was gekomen. Waarom was hij hier? En waarom leefde hij nog?
Victor liep langzaam naar het bureau. Hij blies de kaars niet uit, maar pakte in plaats daarvan een klein notitieboekje uit zijn binnenzak. Hij begon snel door de papieren te bladeren die op het bureau lagen. Hij zocht duidelijk naar iets specifieks.
"Waar heb je het gelaten, Thomas..." mompelde de man binnensmonds. Zijn stem was rauw en schor. "Je kon het niet meenemen naar je graf."
Hij liep naar de grote stalen kluis in de hoek van de kamer. Hij knielde erbij neer en legde zijn hand op het draaiwiel van het slot. Maar voordat hij begon te draaien, stopte hij abrupt. Hij keek naar de vloer.
Mijn maag draaide om. Ik realisseerde me wat hij zag: onze verse, natte voetstappen op de stoffige houten vloer. De sporen liepen rechtstreeks van de deuropening naar de kledingkast waarin wij stonden.
Victor stond langzaam op. Hij haalde zijn hand uit zijn jas zak. In het gedempte licht van de kamer zag ik het metaal van een pistool opflikkeren.
Elena stootte een zacht geluidje uit van schrik. Ik knijpten mijn ogen dicht en bad dat hij het niet gehoord had. Maar het was al te laat.
Met langzame, afgemeten stappen liep Victor op de kledingkast af. Elke stap klonk als een doodsv Vonnis. Hij bleef op een meter afstand van de kastdeur staan.
"Ik weet dat er iemand is," zei hij met een ijzige, kalme stem. "Kom eruit. Nu. Anders schiet ik door het hout heen."
Elena trilde zo erg dat de houten wand van de kast lichtjes begon te trillen. Ik wist dat we geen keus hadden. Als we bleven zitten, zouden we weerloos zijn.
Ik pakte de klink van de kastdeur vast en duwde hem langzaam open. Elena en ik stapten met onze handen omhoog uit de kast.
Victor keek ons aan. Toen zijn ogen op mij vielen, veranderde zijn gezichtsuitdrukking van hardheid naar een mengeling van choque en ongeloof.
"Maria?" fluisterde hij. "Wat doe jij hier?"
"Victor..." zei ik met een stem die probeerde niet te trillen. "Je bent niet dood. Thomas heeft tegen mij gelogen."
Victor liet het pistool zakken, maar hij stak het niet terug in zijn jas. "Thomas heeft niet gelogen om je te bedriegen, Maria. Hij heeft gelogen om je in leven te houden. Je had hier nooit mogen komen. Deze plek is gevaarlijk."
"Waarom?" vroeg ik, terwijl ik een stap naar voren deed, gedreven door een plotselinge vlaag van moed. "Wat was Thomas aan het verbergen? Wat zit er in die kluis?"
Victor keek naar de kluis en daarna weer naar mij. "In die kluis zit het bewijs dat de dood van Thomas geen ongeluk of hartstilstand was. Thomas is vermoord, Maria. En de mensen die hem hebben gedood, zijn nu naar jou op zoek."
Voordat ik de impact van zijn woorden goed kon verwerken, klonk er buiten het gebouw het harde geluid van gierende autobanden, gevolgd door het dichtslaan van meerdere portieren.
Victor keek geschokt naar het raam. "Ze zijn er," zei hij gehaast. "Ze hebben me gevolgd!"
Hij greep me bij mijn arm en trok me mee naar een kleine deur achter in de kamer die ik nog niet eerder had opgemerkt. "We moeten nu weg! Als zij jullie hier vinden, overleven jullie het niet!"
We rennen de donkere achtertrap af, terwijl boven ons de ruiten van het pakhuis met een luid gekletter aan diggelen worden geschoten...






