DEEL 9 — DE CONFRONTATIE IN DE GANG
De indringers bleven een moment in de deuropening staan, hun silhouetten afstekend tegen het felle licht van de jeep buiten. De geur van regen, nat asfalt en rook hing om hen heen.
Lucas deed een stap naar voren in de smalle gang, zijn schouders breed, zijn blik onverschrokken ondanks het voor duidelijk gevaar.
“Wie zijn jullie? Wat moeten jullie hier?” vroeg Lucas met een ijskoude, controlerende stem.
De voorste man – een brede gestalte met een litteken dat van onder zijn capuchon tot aan zijn kaaklijn liep – lachte somber. Het klonk meer als een proestend geluid dan als echte vrolijkheid.
“Kijk eens aan,” zei de man met een schorre stem. “De verloren zoon is teruggekeerd. We dachten al dat je ergens in het buitenland zat, Lucas. Maar je kon het kennelijk niet laten om terug te keren naar het nest van je oude vader.”
Mijn hart sloeg over. Ze kenden Lucas. Ze wisten wie hij was.
“Je hoeft geen spelletjes meer te spelen,” ging Lucas verder, zonder een centimeter terug te wijken. “Mijn vader ligt daar doodziek op bed. Jullie chantage is al decennia oud. Waarom zijn jullie hier nu nog?”
De man met het litteken stapte de gang binnen, waardoor de kleine ruimte nog voller en benauwder aanvoelde. Zijn laarzen lieten modderige sporen achter op de houten vloer. Hij glimlachte minachtend.
“Dertig jaar geleden dacht je vader dat hij ons kon slim af zijn door jouw dood te faken en jou weg te sturen,” zei de man terwijl hij traag zijn handschoenen uittrok. “Maar schulden verjaren niet, jongen. En papiertjes… bewijsstukken die je vader in een kluis had liggen over onze transacties… die hebben we nog steeds nodig.”
Uit de slaapkamer hoorden we een zwakke kreet van Willem. De man met het litteken keek in de richting van de slaapkamerdeur en trok zijn wenkbrauwen op.
“Ah, de oude man leeft dus nog? Wat handig. Dan kunnen we meteen even praten over waar hij dat laatste archief heeft gelaten.”
Voordat de man door kon lopen naar de slaapkamer, deed ik wat niemand had verwacht. Ik greep een zware, koperen kandelaar van het kastje in de gang en hield hem met beide handen voor me uit.
“Jullie komen hier niet in,” riep ik met een stem die trilde van woede en angst. “Als jullie nog één stap zetten, mep ik je schedel in!”
De man keek mij aan, lachte hardop en haalde langzaam iets uit de zak van zijn jas. Een metalen voorwerp dat in het zwakke licht griezelig glansde.
“Mevrouw,” zei hij met een vals-vriendelijke toon. “Je hebt de afgelopen dertig jaar in een droom geleefd. Laten we die droom nu maar eens abrupt beëindigen.”






