DEEL 4 — DE REIS NAAR DE DUINEN
De autorit naar het oude vakantiehuis in de duinen voelde als een rit door een mistig verleden. Buiten gutste de regen tegen de autoruiten van Lucas’ wagen, terwijl de ruitenwissers in een eentonig ritme heen en weer zwaaiden. De hond, die we in een deken op de achterbank hadden gelegd, lag rustig te slapen, uitgeput door zijn lange tocht.
In de auto heerste een gespannen stilte. Niemand sprak over de brief van Willem, maar de schaduw ervan hing zwaar tussen ons in. Hoe kon een vader zo kil en berekenend zijn zoon hebben weggestuurd en mij decennialang in de waan hebben gelaten dat Lucas niets meer met ons te maken wilde hebben? En nog belangrijker: wie wist er van dat oude vakantiehuisje af?
Na bijna een uur rijden, veranderden de asfaltwegen in smalle zandwegen omringd door hoge dennenbomen en duinen die grijs kleurden in het ochtendlicht. De wind gierde om de auto, en de oceaan was niet ver weg; je rook de zilte geur van de zee door de kieren van de portieren heen.
Lucas remde af. Voor ons doemde het kleine, houten huisje op. Het was erger verwaarloosd dan ik me herinnerde. De witte verf van de kozijnen bladderde af, de dakpannen zaten vol mos en de tuin was overwoekerd door wilde struiken. Maar wat mijn hart deed overslaan, was de rook die langzaam uit de stenen schoorsteen omhoog kringelde.
Er was iemand in het huis.
Lucas zette de motor uit. We bleven een moment stil zitten, luisterend naar het tikken van de afkoelende motor en het ruisen van de wind door het helmgras.
“Blijf jij in de auto,” zei Lucas streng, terwijl hij zijn portier opduwde.
“Geen sprake van,” antwoordde ik koppig, terwijl ik mijn jas dichtknoopte en ook uitstapte. “Dat huis is decennia van onze familie geweest. Ik ga mee.”
Lucas zuchtte diep, gooide zijn handen in de lucht, maar zei niets meer. Samen liepen we over het schelpenpad naar de voordeur. De planken kraakten onder onze schoenen. De regen sloeg in ons gezicht, maar de kou voelden we nauwelijks meer.
Lucas stak zijn hand uit en klopte op het verweerde hout van de deur. Drie doffe slagen die over de lege duinen echoden.
Er gebeurde niets. Geen voetstappen. Geen stem.
Lucas klopte harder. “Open de deur! We weten dat er iemand is!”
Toen, met een traag, griezelig gepiep, begon de deur centimeter voor centimeter open te zwaaien. Een koude windvlaag stroomde vanuit de donkere gang naar buiten, dragend de geur van oude boeken, haardvuur en… iets heel bekends uit mijn jeugd.






