DEEL 3 — DE ONVERWACHTE BEZOEKER IN DE GANG
Het gekras hield aan, gevolgd door een zachte, hijgende ademhaling. Mijn hart, dat al in mijn keel klopte door de schokkende inhoud van de brief, sloeg nu op hol van angst. In een klein huis als het mijne verwacht je geen vreemden in de gang, laat staan op deze vroege ochtend.
Lucas trok zijn wenkbrauwen fronsend samen, liet de brief vallen op de salontafel en liep met snelle stappen naar de hal. Ik volgde hem op de voet, bevend van angst en onzekerheid.
Toen we de gang instapten, zagen we wat het geluid had veroorzaakt.
Op de mat bij de voordeur lag geen inbreker, geen postbode en geen bezorger. Er lag een kleine, oude hond, bibberend van de kou en doorweekt van de regen die buiten nog steeds onverminderd voortwoedde. Om zijn hals hing een leren halsband met een klein, koperen kokertje.
Lucas staarde naar het beestje. Zijn ogen, die even daarvoor nog vol woede stonden toen hij mij aankeek, verzachtten onmiddellijk. Hij knielde neer op de natte vloerbedekking, negerend dat zijn nette kleren vuil werden, en stak langzaam zijn hand uit.
“Rustig maar, ouwe jongen,” zei Lucas met een warme, zachte stem die ik in dertig jaar niet meer had gehoord. “Hoe kom jij hier in vredesnaam terecht?”
De hond blafte zwakjes, kwispelde met zijn staartje en schoof met zijn snuit tegen Lucas’ hand aan. Toen Lucas het koperen kokertje van de halsband haalde en openschroefde, haalde hij er een klein opgerold briefje uit.
Mijn handen trilden toen ik over Lucas’ schouder meekeek. Op het papier stond met een bevend, onwennig handschrift een adres geschreven, vergezeld van slechts één zin: “Breng hem naar huis waar hij hoort, voordat het te laat is.”
Lucas herkenning sprak uit zijn ogen. Hij keek op naar mij, en voor het eerst sinds zijn binnenkomst leek de muur tussen ons heel even te wankelen.
“Mam,” zei hij met een schorre stem. “Dit adres… dit is het oude vakantiehuisje in de duinen. Het huis van oom Henk. Maar Henk is al tien jaar geleden overleden. Wie woont daar nu in vredesnaam?”
Ik schudde heftig mijn hoofd. “Ik weet het niet, Lucas. Niemand komt daar al jaren. Het stond na Henks overlijden leeg. Althans… dat dacht ik.”
Lucas stond op, hield de hond voorzichtig tegen zich aan gedrukt en keek me indringend aan. De onthulling van de brief van zijn vader was nog niet eens bezonken, of we werden al meegezogen in een nieuw mysterie.
“We gaan erheen,” zei Lucas vastberaden. “Nu meteen.”






