DEEL 5 — DE VROUW ONDER DE SCHOOL
Ik las het bericht opnieuw.
Nora is niet verborgen onder ons huis.
Mijn vingers trilden.
Daaronder stond:
Ze zit onder uw school.
Ik keek naar het scherm alsof de woorden ieder moment konden veranderen.
Maar dat deden ze niet.
Nog een bericht verscheen.
En ze wacht al zes jaar op iemand die haar vindt.
Ik keek naar de klok.
23:07.
De school was op dit tijdstip bijna volledig verlaten.
Bijna.
Want volgens Martin waren er nog twee beveiligers aanwezig.
Ik belde hem onmiddellijk.
Hij nam niet op.
Nog een keer.
Geen antwoord.
Ik belde Clara.
Haar telefoon ging over.
Eén keer.
Twee keer.
Toen werd de verbinding verbroken.
Ik voelde mijn hart sneller slaan.
Sophie zat tegenover mij in de kleine kamer die de school voor haar had geregeld.
Ze keek naar mijn gezicht.
“Wat is er?”
Ik stopte mijn telefoon weg.
“Niets.”
Ze schudde haar hoofd.
“U liegt.”
Ik zweeg.
Sophie stond op.
“U heeft mijn moeder gevonden.”
“Welke moeder?”
“Nora.”
Mijn adem stokte.
“Hoe weet jij dat?”
Ze keek naar de grond.
“Omdat ze me heeft verteld waar ze is.”
“Wanneer?”
“Vanochtend.”
Ik ging naast haar zitten.
“Waarom heb je dat niet eerder verteld?”
“Omdat ze zei dat ik niemand mocht vertrouwen.”
“Zelfs mij niet?”
Sophie keek me recht aan.
“Ze zei dat u de enige was die we misschien konden vertrouwen.”
Ik begreep er niets meer van.
“Waarom stuurde je mij dan dat bericht?”
“Omdat ik bang ben.”
“Waarvoor?”
Sophie wees naar mijn telefoon.
“Voor hem.”
“Daniel?”
Ze schudde haar hoofd.
“Die man heet niet Daniel.”
“Wie is hij dan?”
Sophie fluisterde:
“Hij heet Richard.”
Ik voelde een rilling over mijn rug.
“Richard wie?”
“Ik weet het niet.”
“Heb je hem eerder gezien?”
Ze knikte.
“Bij mijn vader.”
Ik dacht terug aan Martin.
Aan de oude dossiers.
Aan de tekening met de zwarte ramen.
Aan de naam Daniel Mercer.
Alles leek met elkaar verbonden.
Ik stond op.
“Waar is de ingang?”
Sophie keek me verbaasd aan.
“Waarvan?”
“Van de ruimte onder de school.”
Ze wees naar de gang.
“Onder de oude muziekkamer.”
We verlieten de kamer.
De school voelde 's nachts totaal anders.
De gangen waren donker.
De noodverlichting gaf de muren een vreemde rode gloed.
Bij de muziekkamer bleef Sophie staan.
“Hier.”
Ik probeerde de deur.
Op slot.
Ik keek naar Sophie.
“Hoe komen we binnen?”
“Mijn vader had een sleutel.”
“Waar is die?”
Ze haalde iets uit haar zak.
Een kleine metalen sleutel.
Ik keek haar aan.
“Waarom heb je die?”
“Omdat mijn vader hem aan mij gaf.”
“Wanneer?”
“De laatste keer dat ik hem zag.”
Mijn hart sloeg over.
“Wat zei hij?”
Sophie slikte.
“Hij zei: als Nora ooit terugkomt, moet ik deze aan iemand geven die haar echt wil vinden.”
Ik nam de sleutel aan.
De deur ging open.
Binnen rook het naar stof en vocht.
Achterin stond een oude piano.
Ik liep ernaartoe.
Sophie bleef bij de ingang.
“Wat zoek je?”
“Ik weet het niet.”
Ik keek naar de vloer.
Toen zag ik het.
Een smalle metalen ring tussen de houten planken.
Ik trok eraan.
Een verborgen luik kwam omhoog.
Een donkere trap leidde naar beneden.
Sophie begon te huilen.
“Daar is ze.”
“Je weet het zeker?”
Ze knikte.
“Mijn moeder bracht me hier één keer.”
We daalden langzaam af.
De lucht werd kouder.
Na ongeveer twintig treden kwamen we in een lange betonnen gang.
Aan beide kanten waren oude deuren.
Op één deur stond met zwarte verf:
B-17
Ik liep ernaartoe.
Van binnen klonk een geluid.
Een zacht tikken.
Ik keek naar Sophie.
“Blijf achter mij.”
Ik opende de deur.
De kamer was leeg.
Een bed.
Een tafel.
Een lamp.
En aan de muur tientallen foto's.
Ik liep dichterbij.
Mijn adem stokte.
Het waren foto's van Nora.
Maar niet alleen van haar.
Er waren foto's van Martin.
Van Sophie.
Van Clara.
En...
van mij.
Mijn handen werden koud.
“Waarom zijn er foto's van u?”
Ik kon niet antwoorden.
Op de tafel lag een envelop.
Mijn naam stond erop.
HELENT
Ik opende hem.
Binnenin zat één vel papier.
Er stond slechts één zin:
Je hebt zes jaar te laat gezocht.
Daaronder stond een datum.
Zes jaar geleden.
En een handtekening.
Nora.
Plotseling hoorden we achter ons een deur dichtslaan.
Sophie gilde.
Ik draaide me om.
De gang was leeg.
“Wie is daar?”
Geen antwoord.
Toen hoorde ik voetstappen.
Langzaam.
Dichterbij.
Ik pakte Sophies hand.
“We moeten weg.”
We renden naar de trap.
Maar halverwege stopte Sophie.
“Juf Helen…”
“Wat?”
Ze wees naar de muur.
Daar stond iets wat ik eerder niet had gezien.
Een pijl.
En daaronder drie woorden:
NIET NAAR BOVEN.
Ik keek naar de trap.
Toen naar de andere kant van de gang.
Daar zat een tweede deur.
De voetstappen kwamen dichterbij.
Sophie fluisterde:
“Daar.”
We renden naar de deur.
Ik draaide aan de klink.
Op slot.
Achter ons kwam iemand de hoek om.
Ik zag alleen zijn silhouet.
Groot.
Donkere jas.
Hij bleef staan.
“Geef me het meisje,” zei hij rustig.
Ik trok Sophie achter me.
“Wie bent u?”
Hij antwoordde niet.
Toen deed hij één stap naar voren.
Het licht viel op zijn gezicht.
Ik herkende hem.
Niet van vandaag.
Niet van de parkeerplaats.
Maar van een foto.
Een foto die ik jaren geleden in Martins dossier had gezien.
Mijn stem verdween.
“U…”
De man glimlachte.
“Eindelijk herken je me.”
Sophie begon te huilen.
Ik keek naar haar.
Toen weer naar hem.
“U bent…”
Hij maakte de zin voor me af.
“De man die officieel al zes jaar dood is.”
Hij haalde een sleutel uit zijn zak.
Maar voordat hij de deur kon bereiken, klonk er achter ons een vrouwenstem.
“Laat haar met rust.”
De man verstijfde.
Ik draaide me om.
Aan het einde van de gang stond een vrouw.
Mager.
Bleek.
Met lang donker haar.
Ze keek rechtstreeks naar Sophie.
Sophie liet mijn hand los.
“Mama…”
De vrouw zette één stap naar voren.
“Kom bij me.”
Sophie rende naar haar toe.
En ik wist het zeker.
Nora was nooit verdwenen.
Ze had zich al die jaren verborgen gehouden.
Niet voor de politie.
Niet voor haar vijanden.
Maar voor één persoon.
De man achter ons.
De man die haar zojuist met één naam had aangesproken:
“Anna.”






