DEEL 10 — DE HERINNERINGEN VAN SOPHIE
Sophie keek naar de donkere tunnel.
“Daar wacht degene die mij alles heeft geleerd.”
Ik greep haar hand.
“Wie?”
Ze antwoordde niet.
Nora kwam naast haar staan.
“Sophie, luister naar me. Je hoeft niets te doen.”
“Jawel.”
Haar stem klonk anders.
Rustiger.
Volwassener.
“Ik weet waar de ingang is.”
Michael keek haar verbaasd aan.
“Hoe?”
Sophie keek naar hem.
“Omdat ik daar al eerder ben geweest.”
Richard fronste.
“Dat kan niet.”
“Jawel.”
Ze wees naar haar hoofd.
“Ik herinner het me nu.”
Nora knielde voor haar neer.
“Wat herinner je je?”
Sophie sloot haar ogen.
“Een kamer.”
“Welke kamer?”
“Onder het station.”
Nora werd bleek.
“Wie was daar?”
Sophie zweeg enkele seconden.
Toen fluisterde ze:
“Papa.”
Michael keek naar Richard.
Richard zei niets.
Sophie ging verder.
“Hij zei dat ik stil moest zijn. Hij zei dat ik niemand mocht vertellen wat ik zag.”
“Wat zag je?”
Sophie begon te huilen.
“Een man.”
“Welke man?”
“Daniel.”
Ik voelde mijn hart samentrekken.
“Maar Daniel was toen al dood?”
Sophie knikte.
“Dat dacht iedereen.”
“Wat deed hij daar?”
“Hij sprak met iemand.”
“Wie?”
Sophie keek naar Nora.
“Met jou.”
Nora verstijfde.
“Ik was daar niet.”
“Jawel.”
“Nee, Sophie.”
“Je droeg een rode jas.”
Nora deed een stap achteruit.
“Dat…”
Ze kon haar zin niet afmaken.
Michael keek haar aan.
“Je hebt Daniel ontmoet.”
Nora schudde haar hoofd.
“Niet vrijwillig.”
Ik keek naar haar.
“Wat is er gebeurd?”
Nora haalde diep adem.
“Daniel had mijn dochter.”
“Sophie?”
“Ja.”
“Waarom?”
“Omdat hij wist dat ik het archief had gevonden.”
Ik keek naar de zwarte doos in mijn hand.
“Dus Sophie was zijn drukmiddel.”
Nora knikte.
“Hij zei dat hij haar zou doden als ik niet meewerkte.”
Sophie keek naar haar moeder.
“Maar papa heeft me gered.”
Nora kneep haar ogen dicht.
“Ja.”
“En jij verdween.”
“Ja.”
“Waarom liet je me achter?”
Nora brak.
“Omdat ik dacht dat ik je zo kon beschermen.”
Sophie rende naar haar toe.
Nora sloeg haar armen om haar heen.
Voor enkele seconden vergaten we allemaal de dreiging om ons heen.
Toen klonk boven ons een harde dreun.
Richard keek naar het plafond.
“Ze zijn dichtbij.”
Michael pakte zijn telefoon.
“Geen bereik.”
“Dan moeten we naar het station,” zei ik.
Richard keek me aan.
“Dat is precies waar ze ons willen hebben.”
“Mijn moeder kan daar zijn.”
“Dat weten we niet.”
“Maar Sophie weet het.”
Iedereen keek naar haar.
Sophie knikte.
“Ze wacht daar.”
“Wie?”
Sophie antwoordde:
“Mijn oma.”
Mijn adem stokte.
“Nora's moeder?”
Ze knikte.
“Nee,” zei Nora onmiddellijk.
“Mijn moeder is twintig jaar geleden overleden.”
Sophie keek haar aan.
“Dat dacht jij.”
Nora werd doodstil.
Michael keek naar Richard.
“Dit wordt steeds erger.”
We liepen verder door de tunnel.
Na enkele minuten verscheen er een metalen trap.
Boven ons zat een luik.
Richard duwde het open.
Koude lucht stroomde naar binnen.
We kwamen uit achter een oud spoorweggebouw.
Het station lag enkele honderden meters verderop.
Alle lichten waren uit.
Geen mensen.
Geen treinen.
Alleen wind.
Sophie liep zonder aarzelen naar een oude deur.
“Hier.”
Ik keek naar het bord erboven.
PERON 4 — TOEGANG VERBODEN.
De deur was op slot.
Sophie haalde een klein metalen voorwerp uit haar zak.
“Waar heb je dat vandaan?”
“Papa.”
Ze stak het in het slot.
Klik.
De deur ging open.
Achter de deur liep een trap naar beneden.
We daalden af.
Hoe verder we gingen, hoe kouder het werd.
Toen kwamen we in een enorme ondergrondse ruimte.
Aan de muren hingen oude monitoren.
Op één scherm verscheen plotseling een beeld.
Sophie.
Als klein meisje.
Ze zat aan een tafel.
Naast haar zat een vrouw.
Ik keek naar Nora.
Zij begon te huilen.
“Dat is mijn moeder.”
Op het scherm sprak de oudere vrouw.
“Als Sophie dit ooit ziet, betekent het dat alles mislukt is.”
Het beeld veranderde.
Een tweede opname.
Thomas.
Mijn vader.
Hij keek recht in de camera.
“Helen, als jij deze beelden ooit ziet, moet je weten dat ik niet dood ben gegaan door Daniel.”
Ik hield mijn adem in.
“Wie dan?”
De opname ging verder.
“De persoon die mij verraden heeft, staat dichter bij jou dan je denkt.”
Het scherm werd zwart.
Toen verscheen één woord:
MARTIN.
Ik voelde mijn maag samentrekken.
“Martin?”
Richard keek naar Michael.
“Hij heeft ons allemaal gebruikt.”
Maar Michael schudde zijn hoofd.
“Nee.”
“Wat bedoel je?”
Michael wees naar het scherm.
“Martin was slechts een tussenpersoon.”
Er verscheen een nieuwe opname.
Martin stond in een kamer.
Tegenover hem zat een onbekende man.
Ik kende die man niet.
Tot hij zijn gezicht naar de camera draaide.
Ik verstijfde.
Mijn adem stokte.
Het was mijn vader.
Levend.
Maar naast hem stond iemand anders.
Een jonge vrouw.
Ik keek naar Nora.
Ze fluisterde:
“Eva.”
Op het scherm sprak mijn vader:
“Als ze ooit achter het archief komen, moet Eva worden ingeschakeld.”
Martin vroeg:
“En Helen?”
Mijn vader antwoordde:
“Zij mag nooit weten dat ze een Bennett is.”
Ik voelde mijn benen zwak worden.
“Maar ik bén een Bennett.”
Richard keek naar mij.
“Dat is niet het hele verhaal.”
Ik draaide me naar hem.
“Wat bedoel je?”
Hij zweeg.
Sophie liep naar een oude deur aan de andere kant van de kamer.
Ze legde haar hand erop.
“Ze is hier.”
Nora liep achter haar aan.
“Wie?”
Sophie draaide zich om.
“Degene die jullie allemaal zoeken.”
De deur ging vanzelf open.
Daarachter stond een oude vrouw.
Ze was klein.
Haar haar was volledig grijs.
Maar haar ogen…
Die kende ik.
Ik had ze eerder gezien.
In de foto's van mijn vader.
In de oude documenten.
In mijn eigen gezicht.
De vrouw keek naar mij.
“Helen.”
Ik kon niets zeggen.
Ze glimlachte door haar tranen heen.
“Je bent precies zoals je vader.”
Ik fluisterde:
“Wie bent u?”
Ze kwam langzaam naar voren.
“Ik ben je grootmoeder.”
Nora begon te huilen.
Maar voordat iemand iets kon zeggen, klonk er achter ons een klik.
De deur van de kamer sloot.
Een stem kwam uit de luidspreker.
“Welkom bij Project Eden.”
Sophie keek omhoog.
En toen verscheen op het scherm één laatste boodschap:
FASE VIER: DE DOCHTER MOET KIEZEN WIE ER STERFT.






