DEEL 8: DE MAN IN DE KELDER
De woorden van rechercheur Jansen bleven door mijn hoofd spoken.
“Uw vader is niet degene die u denkt dat hij is.”
Ik wilde hem niet geloven.
Niet nu.
Niet nadat ik veertien jaar had gedacht dat mijn vader dood was.
“Waar is hij?” vroeg ik.
“In het oude familiehuis.”
“En Thomas?”
“Ook daar.”
“Dan moeten we erheen.”
Jansen schudde zijn hoofd.
“U blijft hier.”
“Mijn vader is vastgebonden!”
“Juist daarom.”
“Ik kan niet hier blijven liggen terwijl hij misschien wordt vermoord.”
“Uw toestand laat het niet toe.”
Ik keek naar mijn beide benen.
Voor het eerst haatte ik mijn eigen lichaam omdat het me tegenhield.
“Ik wil tenminste weten wat er gebeurt.”
Jansen knikte.
“We houden u op de hoogte.”
Toen hij de kamer verliet, bleef ik alleen achter.
Maar mijn gedachten bleven bij Thomas.
Hij had mijn vader.
Hij had mijn leven vernietigd.
En toch beweerde hij dat mijn vader iets voor mij verborgen hield.
Misschien loog hij.
Waarschijnlijk zelfs.
Maar één ding wist ik zeker.
Thomas kende geheimen waar ik niets van wist.
Een uur later kwam Jansen terug.
Zijn gezicht stond strak.
“Wat is er?” vroeg ik.
“We zijn binnen.”
“Waar?”
“In het huis.”
Mijn hart sloeg sneller.
“En mijn vader?”
“Gevonden.”
“Leeft hij?”
“Ja.”
Ik sloot mijn ogen van opluchting.
“Maar…”
Jansen zweeg.
“Wat?”
“Thomas is verdwenen.”
“Wat?”
“Hij was nog in het huis toen onze mensen binnenkwamen.”
“Hoe kan iemand zomaar verdwijnen?”
“Er is een geheime doorgang.”
Ik keek hem verbaasd aan.
“Een geheime doorgang?”
Jansen knikte.
“Verborgen achter een boekenkast.”
Ik dacht aan mijn jeugd.
Mijn vader had altijd een werkkamer gehad waar ik nooit mocht komen.
“Waar leidt die doorgang naartoe?”
“Naar een oude kelder onder het huis.”
Ik voelde een rilling over mijn rug.
“En mijn vader?”
“Hij zat daar vastgebonden.”
“En hij?”
“Hij is gewond, maar buiten levensgevaar.”
Ik ademde langzaam uit.
“Heeft hij iets gezegd?”
“Ja.”
“Wat?”
Jansen keek me aan.
“Hij zei dat Thomas niet alleen werkt.”
Mijn hart zonk.
“Wie dan?”
“Dat weet hij niet.”
Ik fronste.
“Hij zei ook dat iemand binnen uw familie Thomas helpt.”
“Mijn familie?”
Ik dacht aan niemand.
Mijn moeder was dood.
Mijn vader was verdwenen.
Ik had geen broers of zussen.
“Wie?”
Jansen schudde zijn hoofd.
“Hij wilde het u persoonlijk vertellen.”
“Waarom?”
“Omdat hij zegt dat u het recht hebt om de waarheid van hemzelf te horen.”
Een half uur later werd mijn vader naar het ziekenhuis gebracht.
Ik wachtte in mijn kamer.
Toen de deur openging, zag ik hem.
Hij was ouder.
Magere wangen.
Grijs haar.
Een litteken boven zijn wenkbrauw.
Maar zijn ogen…
Die herkende ik onmiddellijk.
Mijn vader keek mij aan.
En begon te huilen.
“Sophie…”
Mijn keel kneep dicht.
“Papa.”
Hij kwam voorzichtig dichterbij.
Ik wilde hem omhelzen, maar mijn gebroken lichaam liet het nauwelijks toe.
Hij pakte mijn hand.
“Het spijt me.”
Ik huilde.
“Waarom heb je me verlaten?”
Hij sloot zijn ogen.
“Omdat ik dacht dat het de enige manier was om je te beschermen.”
“Waartegen?”
Hij keek naar Jansen.
De rechercheur knikte.
Mijn vader keek terug naar mij.
“Tegen Thomas.”
Ik voelde mijn hart bonzen.
“Hoe kende je hem?”
Mijn vader zweeg lang.
“Thomas kwam veertien jaar geleden bij ons thuis.”
“Waarom?”
“Vanwege je moeder.”
Ik verstijfde.
“Wat heeft hij met mama te maken?”
“Meer dan je denkt.”
Mijn vader haalde diep adem.
“Je moeder ontdekte dat iemand geld verduisterde uit een stichting die zij beheerde.”
“Wie?”
“Thomas.”
Mijn adem stokte.
“Maar hij was toen nog maar…”
“Hij werkte voor een bedrijf dat toegang had tot haar financiële administratie.”
Ik keek hem aan.
“En mama ontdekte dat?”
“Ja.”
“Wat gebeurde er daarna?”
Mijn vader keek naar beneden.
“Ze wilde naar de politie gaan.”
Ik voelde mijn handen trillen.
“En toen werd ze vermoord.”
Hij knikte.
“Maar er was één probleem.”
“Welk probleem?”
“Ze had bewijs.”
“Waar?”
Mijn vader keek naar mij.
“Bij jou.”
Ik fronste.
“Bij mij?”
“Je moeder heeft het bewijs vlak voor haar dood aan jou gegeven.”
Ik voelde mijn hart sneller slaan.
“Ik was twaalf.”
“Dat weet ik.”
“Wat gaf ze me?”
Hij keek naar mijn trouwring.
Ik volgde zijn blik.
Mijn ring.
De ring die ik twaalf jaar geleden van Thomas had gekregen.
“Wat heeft mijn ring hiermee te maken?”
Mijn vader fluisterde:
“Dat is niet jouw trouwring.”
Ik verstijfde.
“Wat?”
“Je moeder gaf je die ring voordat ze stierf.”
Ik keek naar de ring om mijn vinger.
“Maar Thomas…”
“Thomas heeft hem later voor je omgewisseld.”
Mijn hart bonsde.
“Waarom?”
“Omdat hij wist wat erin zat.”
Jansen kwam dichterbij.
“Wat zit er in de ring?”
Mijn vader keek naar mij.
“Een kleine geheugenchip.”
Ik staarde naar mijn trouwring.
“Dat is onmogelijk.”
“Het is geen gewone ring.”
Mijn vader pakte mijn hand.
“Je moeder heeft het bewijs van de fraude daarin verborgen.”
Ik voelde mijn adem verdwijnen.
“Waarom heeft Thomas me dan die ring laten dragen?”
Mijn vader antwoordde:
“Omdat hij dacht dat je nooit zou ontdekken dat hij hem had.”
Ik keek naar de ring.
Voor het eerst voelde het metalen bandje zwaar aan mijn vinger.
Toen hoorde ik plotseling een geluid op de gang.
Een verpleegkundige rende voorbij.
Daarachter kwamen twee beveiligingsmedewerkers.
Jansen trok onmiddellijk zijn wapen.
“Blijf hier.”
“Wat gebeurt er?”
Hij antwoordde niet.
Toen ging het licht in mijn kamer uit.
Volledige duisternis.
Mijn hart sloeg wild.
En vanuit de gang hoorde ik een bekende stem.
Rustig.
Koud.
Dichtbij.
“Hallo, Sophie.”
Thomas was in het ziekenhuis.






