Na een verschrikkelijk auto-ongeluk werd ik rechtstreeks naar het ziekenhuis gebracht
News Story

Na een verschrikkelijk auto-ongeluk werd ik rechtstreeks naar het ziekenhuis gebracht

0 weergaven

DEEL 5: HET BERICHT

Mijn handen begonnen te trillen zodra ik de vijf woorden op mijn scherm zag.

Je had me moeten gehoorzamen, Sophie.

Rechercheur Jansen pakte mijn telefoon voorzichtig van het bed.

“Raak niets meer aan.”

Ik knikte.

Mijn mond was droog.

“Hij weet waar ik ben.”

Jansen keek naar de verpleegkundige.

“Zet onmiddellijk extra beveiliging bij deze kamer.”

De verpleegkundige rende de gang op.

Ik staarde naar het scherm.

Thomas was ontsnapt.

Hij wist dat de politie hem verdacht.

En toch had hij de moeite genomen om mij een bericht te sturen.

Dat betekende maar één ding.

Hij wilde dat ik bang werd.

En tot mijn eigen verbazing voelde ik iets anders.

Woede.

Voor het eerst in twaalf jaar was ik niet bang voor hem.

Ik was woedend.

“Hij heeft me jarenlang bang gemaakt,” zei ik zacht.

Jansen keek me aan.

“Niet meer.”

Ik keek naar hem.

“Wat bedoelt u?”

“Vanaf dit moment wordt u beschermd.”

Hij stopte mijn telefoon in een bewijszak.

“Maar ik heb uw hulp nodig.”

“Waarmee?”

“Vertel me alles wat u weet over Thomas.”

Ik dacht na.

“Ik weet dat hij de afgelopen maanden steeds meer controle wilde.”

“Over wat?”

“Mijn bankrekening. Mijn documenten. Mijn verzekeringen.”

Jansen schreef mee.

“Welke verzekering?”

Ik keek hem aan.

“Mijn levensverzekering.”

Hij stopte met schrijven.

“Hoeveel?”

“Ik weet het exacte bedrag niet.”

“Dat moeten we uitzoeken.”

Ik knikte.

Toen herinnerde ik me iets.

“Wacht.”

“Wat?”

“Een paar weken voor het ongeluk vroeg Thomas me om een document te ondertekenen.”

“Welk document?”

“Ik weet het niet precies. Hij zei dat het voor de hypotheek was.”

“Heb je getekend?”

Mijn hart zonk.

“Ja.”

Jansen keek ernstig.

“Dat kan belangrijk zijn.”

Ik sloot mijn ogen.

Waarom had ik nooit vragen gesteld?

Waarom had ik hem altijd geloofd?

Toen dacht ik aan mijn handtas.

“Mijn documenten…”

“Wat?”

“Mijn originele documenten zaten in mijn tas.”

“En?”

“Mijn paspoort en een map met verzekeringspapieren.”

Jansen keek naar de verpleegkundige.

“Die tas is net gevonden.”

“Maar de documenten…”

Hij controleerde de tas.

Zijn gezicht veranderde.

“Er zit niets in.”

Mijn adem stokte.

“Wat?”

“De documenten zijn weg.”

We keken elkaar aan.

Iemand had mijn tas geopend.

Iemand had mijn documenten meegenomen.

En ik wist precies wie daar toegang toe had gehad.

Thomas.

Maar waarom had hij alleen die papieren meegenomen?

Jansen leek dezelfde vraag te hebben.

“Mevrouw Van Dijk, weet u nog wat er precies in die map zat?”

“Mijn levensverzekering. Hypotheekpapieren. Bankgegevens.”

Hij knikte langzaam.

“Dan heeft Thomas waarschijnlijk iets geprobeerd te verbergen.”

“Of iets te veranderen.”

“Precies.”

Op dat moment kwam een agent binnen.

“Rechercheur Jansen?”

“Ja?”

“We hebben een locatie.”

Jansen draaide zich om.

“Van Thomas?”

“Ja.”

Mijn hart sloeg over.

“Waar?”

De agent keek naar mij.

“Bij het oude familiehuis van de familie Van Dijk.”

Ik fronste.

“Dat huis staat al jaren leeg.”

“Dat weten we.”

Jansen pakte zijn jas.

“Dan gaan we.”

“Wacht.”

Ik greep zijn arm.

“Waarom zou Thomas daarheen gaan?”

Jansen keek me aan.

“Dat weet ik nog niet.”

Maar iets in mij zei dat het met mijn verleden te maken had.

“Mijn vader bewaarde daar altijd belangrijke documenten.”

Jansen stopte.

“Welke documenten?”

“Ik weet het niet. Hij zei vroeger altijd dat ik pas na mijn dertigste mocht weten wat erin stond.”

“En hoe oud bent u nu?”

“Vierendertig.”

Hij keek me strak aan.

“Dan moeten we daar onmiddellijk heen.”

“Waarom?”

“Omdat Thomas misschien op zoek is naar hetzelfde.”

De agent kreeg plotseling een oproep via zijn portofoon.

Hij luisterde enkele seconden.

Toen werd zijn gezicht bleek.

“Wat is er?”

Hij keek naar Jansen.

“Er is iemand in het huis.”

Jansen trok zijn wapenholster recht.

“Thomas?”

“Waarschijnlijk.”

Ik voelde mijn hartslag versnellen.

“Maar er is nog iets.”

“Wat?”

De agent keek naar zijn telefoon.

“Een buurman heeft iemand anders bij het huis gezien.”

“Wie?”

Hij draaide het scherm naar ons toe.

Een foto.

De persoon stond op afstand, gedeeltelijk verborgen in de schaduw.

Maar ik herkende haar meteen.

Emma.

Mijn beste vriendin stond voor het oude familiehuis.

En naast haar stond een man.

Een man die ik al jaren niet had gezien.

Mijn vader.

Ik voelde alle kracht uit mijn lichaam verdwijnen.

“Dat kan niet…”

Jansen keek mij aan.

“U zei toch dat uw vader overleden was?”

Ik kon nauwelijks ademhalen.

“Dat dacht ik.”

Op dat moment verscheen er een tweede bericht op mijn telefoon.

Niet van Thomas.

Niet van Emma.

Een onbekend nummer.

Sophie, kom niet naar het huis. Je vader wil dat je de waarheid nooit ontdekt.

Ik staarde naar het bericht.

Jansen las het.

Toen vroeg hij zacht:

“Wie heeft u verteld dat uw vader dood was?”

Ik keek hem aan.

Mijn stem was bijna niet hoorbaar.

“Thomas.”

De kamer werd stil.

En plotseling begreep ik iets wat veel erger was dan het ongeluk.

Als mijn vader nog leefde…

dan had Thomas al die jaren tegen mij gelogen.

En misschien was mijn hele huwelijk gebouwd op één grote leugen.