HET GEHEIM VAN DE ZILVEREN CHRONOGRAAF
News Story

HET GEHEIM VAN DE ZILVEREN CHRONOGRAAF

38 weergaven

De dreiging van Helena hing als een giftige wolk boven de kelder. De geur van benzine drong vrijwel meteen door de spleten van de houten zolderverdieping naar beneden. Ze meende het. Helena was bereid het hele historische pand plat te branden om te krijgen wat ze wilde, of om het voorgoed uit te wissen.

"Ze gaat ons levend verbranden," fluisterde ik, terwijl de paniek als een klauw om mijn keel greep. "Leo, is er een andere uitgang?"

Leo keek naar de stenen trap waar bovenin al het schijnsel van fakkels en zaklampen te zien was. "Er is een oude transporttunnel die onder het dok doorloopt, gebruikt voor het overbrengen van houtbalken naar de vrachtschepen. Maar hij is al veertig jaar niet gebruikt en waarschijnlijk half ingestort."

"Beter een ingestorte tunnel dan verbranden!" beet ik hem toe.

Leo knikte bedachtzaam. Hij liep naar de zware ijzeren brandkast in de hoek van de kelder. Met trillende, maar geoefende vingers draaide hij aan de cijferschijf. Links-3-2, Rechts-1-4, Links-0-8. Met een harde, metalen klik sprong de kluisdeur open.

In plaats van geld of juwelen lag er slechts één voorwerp in de kluis: een verweerde, fluwelen doos. Leo pakte de doos eruit en opende hem. Daarin lag het exacte tweelingbroertje van mijn horloge. Het zilver blonk in het schijnsel van de olielamp, smetteloos en onaangetast door de tijd.

"Het horloge van mijn vader," fluisterde Leo. Hij pakte het uurwerk op en stopte het in zijn zak. Vervolgens keek hij mij strak aan. "Jonas, geef mij jouw horloge. Dat zendertje van Victor moet hier blijven."

Ik aarzelde geen seconde, haalde de zilveren chronograaf uit mijn zak en gaf hem aan Leo. Leo peuterde het piepkleine zendertje los en plakte het onder de houten werkbank. Vervolgens stopte hij ook mijn horloge in zijn diepe jas zak.

"Volg mij," zei hij kort.

Hij liep naar de verste hoek van de kelder, achter een stapel verrotte eiken houten planken. Met een krachtige duw duwde hij tegen een schijnbaar massieve bakstenen muur. Een sectie van het metselwerk, gemonteerd op een zwaar ijzeren frame, zwaaide met een schurend geluid naar binnen. Een vochtige, ijskoude luchtstroom begroette ons, samen met het kabbelende geluid van het water van het Kattendijkdok boven onze hoofden.

"Pas op je hoofd," waarschuwde Leo, terwijl hij de olielamp oppakte en voorop de donkere, lage tunnel in stapte.

Op dat moment klonk er boven ons een harde knal, gevolgd door het knetterende geluid van droog hout dat in vlammen opging. De oranje gloed van een uitslaand vuur verlichtte de trap van de kelder. Roog stroomde in dikke, zwarte wolken de ruimte binnen. Helena’s mannen hadden het pand in brand gestoken.

Ik duwde het zware bakstenen luik achter ons dicht, waardoor we in relatieve duisternis gehuld werden, op het magere licht van Leo's olielamp na.

De tunnel was smal en laag. Het plafond bestond uit oude houten steunbalken die zwaar doorbogen onder het gewicht van de aarde en het water boven ons. Overal sijpelde water langs de muren naar beneden, en onze voeten zakten bij elke stap weg in de drassige modder.

"Hoe ver is dit?" vroeg ik hijgend, terwij de rooklucht door de spleten van de geheime deur sijpelde.

"Ongeveer tweehonderd meter," antwoordde Leo zonder om te kijken. "Het komt uit in een oude inspectieput naast het droogdok. Als we daar zijn, zijn we buiten het bereik van Helena's mannen op het terrein."

We baanden ons een weg door de duisternis. Het geluid van de brand boven ons werd langzaam zwakker, vervangen door het constante gedruppel van water en de echo van onze eigen zware ademhaling. Maar net toen ik begon te hopen dat we het zouden redden, klonk er een hard, kraakend geluid boven onze hoofden.

KRAAAK!

Een van de oude steunbalken van het tunnelplafond gaf het op. Een regen van stenen en zware modder stortte neer direct tussen mij en Leo in.

"Jonas!" schreeuwde Leo, die aan de andere kant van de instorting stond.

Ik sprong net op tijd achteruit om te voorkomen dat ik onder de puinmassa bedolven raakte. Een dichte stofwolk vulde de smalle gang. Toen het stof enigszins neerwaaide, zag ik dat de tunnel over de volle breedte geblokkeerd was door een muur van aarde en zware houten balken.

"Leo! Ben je in orde?!" riep ik, terwijl ik met mijn handen vergeefs tegen de modderbank begon te graven.

"Ik ben niet gewond!" klonk Leo’s stem gedempt van de andere kant. "Maar de tunnel is ingestort, Jonas! Je kunt hier niet meer langs!"

"Er moet een manier zijn om er doorheen te komen!" schreeuwde ik in paniek.

"Nee! De hele constructie is instabiel. Als je verder graaft, komt het hele dok naar beneden!" beet Leo me toe. "Luister naar mij, Jonas! Je moet terug! Helena denkt dat we allebei in de brand zijn omgekomen. Dat geeft ons een voordeel."

"Terug?! De kelder staat in brand!"

"De geheime deur houdt het vuur nog even tegen! Zoek aan de linkerkant van de kelder naar de oude kolenschacht. Die komt uit in de steeg achter het buurpand! Neem het horloge!"

Voordat ik kon vragen wat hij bedoelde, zag ik hoe een hand door een klein gaatje boven aan de puinhoop reikte. Leo duwde de zilveren chronograaf van mijn opa door de opening.

"Neem het!" riep Leo. "Ik hou het horloge van mijn vader bij me. We ontmoeten elkaar over twee uur bij de Sint-Pauluskerk in het centrum. Als jij het overleeft... en als ik het overleef!"

Mijn vingers grepen het koude zilveren horloge vast.

"Leo, wacht!" riep ik, maar ik hoorde zijn haastige stappen al vervagen in de richting van het droogdok.

Ik was weer alleen. De duisternis sloot zich om me heen, en van achter de geheime deur hoorde ik het loeiende geluid van het vuur dat zich een weg baande door de zaagmolen. De temperatuur in de gang begon merkbaar te stijgen.

Ik keek naar het horloge in mijn hand. Het tikte nog steeds. Tik. Tak. Tik. Tak. Een onverstoorbaar ritme in het midden van de chaos.

Ik keerde me om en rende terug naar de kelder, de hete rook tegemoet.

---