De stem echode tegen de vochtige stenen muren van de kelder. Hij klonk niet wreed of agressief, maar gedragen door een peilloze, jarenlange vermoeidheid.
Mijn rug zat strak tegen de koude, ijzeren wand van de brandkast gedrukt. Mijn hart klopte zo hard dat ik bang was dat de indringer het kon horen. Ik kneep mijn ogen dicht in het pikdonkere duister, trachtend mijn ademhaling onder controle te krijgen.
"Wie bent u?" vroeg ik met een schorre stem, terwijl ik mezelf nog dieper in de schaduw van de kluis probeerde te drukken.
Het geluid van een lucifer die werd afgestreken klonk door de ruimte. Een klein, geel vlammetje lichte op, gevolgd door de warme, zachte gloed van een oude olielamp die op de werkbank werd geplaatst.
In het verhoogde licht zag ik de man die onderaan de trap stond. Hij was oud, heel oud. Zijn gezicht was doortrokken van een netwerk van diepe rimpels, zijn haar was sneeuwwit, maar zijn ogen — helderblauw achter een dikke bril met een koperen montuur — waren scherp en levendig. Hij droeg een eenvoudige, donkerblauwe werkjas. Aan zijn linkerhand miste hij de ringvinger.
Mijn blik schoot van de oude man naar de zwart-witfoto op de muur achter me. De gelaatstrekken waren veranderd door de tand des tijds, maar de structuur van zijn kaak en de vorm van zijn ogen waren onmiskenbaar.
"Leo...?" fluisterde ik verbluft. "Leo Van den Berg?"
De oude man liet een diepe zucht horen en knikte langzaam. "Dat is een naam die ik al meer dan vijftig jaar niet meer hardop heb gehoord. Hier noemt men mij al decennia gewoon 'de Oude Scheepstimmerman'. Maar jij... jij hebt het gezicht van Piet. Precies dezelfde koppige blik toen hij voor het eerst in mijn vaders atelier kwam werken."
Ik kwam langzaam overeind uit mijn schuilplaats, mijn handen half omhoog ter teken van overgave, maar mijn geest draaide op volle toeren. "Iedereen denkt dat je dood bent! Helena... je zuster... ze maakt jagt op mij omdat ze gelooft dat mijn opa jou heeft vermoord en de diamanten heeft gestolen!"
Leo lachte wreed, een rauw geluid dat oversloeg in een korte hoestbui. "Helena... mijn lieve, machtsbeluste zuster. Ze heeft een prachtig sprookje gecreëerd om haar eigen misdaden te bedekken. Een sprookje waarin zij het slachtoffer is en jouw opa de boeman."
"Wat is er dan gebeurd op 14 november 1962?" eiste ik te weten. Ik deed een stap naar voren, de angst maakte plaats voor een brandende drang naar de waarheid. "Waarom vluchtte mijn opa naar Gent? Waarom veranderde hij zijn naam? En waarom liet hij me dit horloge achter met de waarschuwing om nooit naar Antwerpen te komen?"
Leo liep langzaam naar de werkbank en strreek met zijn trillende vingers over de oude horlogemakerswerktuigen.
"Mijn vader, Paul Van den Berg, was geen gewone horlogemaker," begon Leo met een zachte, meeslepende stem. "Hij was een genie. Hij ontwierp niet alleen uurwerken, maar ook de meest ingewikkelde beveiligingsmechanismen voor de grootste diamantkluizen van de stad. In 1962 had hij een revolutionair codesysteem ontwikkeld — een mechanische sleutel gecombineerd met een gecodeerde uurwerkfrequentie."
Leo keek naar mijn zak, waar het zilveren horloge in opgeborgen zat.
"Dat horloge dat je daar hebt," vervolgde hij, "is geen sieraad. Het is het prototype van die sleutel. Mijn vader maakte er twee: één voor hem, en één voor mij. Het bevat het mechanisme om de hoofdkluisfaciliteit van het Antwerpse Diamantconsortium te openen — een kluis waarin destijds de grootste privécollectie onbewerkte diamanten van Europa lag opgeslagen."
"En Helena?" vroeg ik ademloos.
"Helena wilde die diamanten," zei Leo bitter. "Ze had torenhoge schulden opgebouwd door gokken en wilde de zaak van onze vader overnemen. Toen mijn vader weigerde de kluiscode aan haar te verkopen, maakte ze een afspraak met een misdaadsyndicaat uit Brussel. Op die bewuste nacht in november drongen haar mannen het atelier binnen. Ze schoten mijn vader neer..."
Leo’s stem stokte. Een pijnlijk moment van stilte vulde de 지하 kelder.
"Piet en ik waren in de werkplaats aan de achterzijde," ging hij verder, zijn stem trillend van opgekropte emotie. "We hoorden de schoten. We renden naar voren, maar het was al te laat. Mijn vader lag in zijn eigen bloed. Met zijn laatste adem duwde hij de twee chronografen in onze handen en zei dat we moesten rennen. Helena zag ons. Ze schoot op ons toen we vluchtten. Daarbij verloor ik mijn vinger..."
Hij stak zijn verminkte hand op.
"Piet heeft mijn leven gered die nacht," fluisterde Leo. "Hij droeg me op zijn rug door de steegjes, hielp me onderduiken in deze oude zaagmolen en zorgde ervoor dat ik kon verdwijnen. We wisten dat Helena de politie in haar zak had. Ze beschuldigde Piet en mij van de moord op mijn vader en de diefstal van de diamanten. Piet moest vluchten naar Gent om zijn eigen leven te redden. Hij nam één horloge mee, ik hield het andere."
"Als dat zo is..." zei ik, terwijl mijn hoofd tolde van de informatie, "waar zijn de diamanten dan nu? Waarom zoekt Helena na al die jaren nog steeds naar het horloge?"
Leo keek me strak aan. "Omdat de diamanten nooit zijn gestolen, Jonas. Ze liggen nog steeds in die oude, afgesloten kluis onder het voormalige atelier op de Meir. Een kluis die al vijftig jaar niet is geopend, omdat je er beide chronografen voor nodig hebt om de mechanische sloten tegelijkertijd te ontgrendelen!"
Ik schrok. "Beide horloges...?"
"Helena heeft het horloge van onze vader al decennia in haar bezit," zei Leo. "Maar zonder het tweede horloge — het horloge dat jouw opa Piet meekreeg — kan ze de kluis niet openen. Ze heeft vijftig jaar gewacht tot het horloge boven water zou komen. En toen jij het vanmiddag naar de winkel van Victor bracht, gaf je haar de sleutel waar ze een half leven naar heeft gezocht."
Plotseling klonk er van boven een hard, dof geluid. Het geluid van een zware ijzeren stang die met geweld tegen de houten achterdeur van de zaagmolen werd geramd.
BAM!
Leo verstijfde. Zijn gezicht werd zo wit als zijn haar. "Ze hebben ons gevonden..."
"Hoe?" riep ik in paniek. "Ik dacht dat ik ze kwijt was!"
"Victor..." fluisterde Leo verslagen. "Victor is al jaren een informant voor Helena. Hij heeft je niet geholpen toen hij je wegstuurde, Jonas. Hij heeft een zender in het horloge geplaatst toen hij het met zijn gereedschap opende!"
Mijn hand vloog naar mijn jas zak. Met trillende vingers voelde ik aan de onderkant van de zilveren kast van het horloge. Daar, piepklein ingeklemd bij het scharnier, zat een glimmend, zwart schijfje gekleefd.
BAM! De deur boven aan de trap werd met een harde klap opengeraakt.
Zware, meedogenloze voetstappen dreunden op de houten vloer van de zaal boven ons. En toen klonk de kille, bekende stem van Helena Van den Berg via een megafoon door het gebouw:
"Leo! Jonas! Ik weet dat jullie daaronder zitten. Kom naar boven met beide horloges, of ik steek deze oude zaagmolen in brand met jullie erin!"
---






