DUIVEN IN HET DUISTER
News Story

DUIVEN IN HET DUISTER

26 weergaven

Het geluid van de dichtslaande deur galmde hol door de oude watermolen. Ik rende terug naar het luik waar ik binnen was gekomen, maar er viel een zwaar metalen gitter voor. Ik zat gevangen.

— "Claire!" schreeuwde ik in de duisternis van het vervallen gebouw. — "Claire, kom tevoorschijn! Waar is mijn dochter?!"

Er klonk geklop van hoge hakken op de stenen trap die naar de bovenverdieping van de molen leidde. Uit de schaduw van de galerij bovenaan de trap stapte een elegante vrouw met een lange, zwarte mantel. Haar grijzende haar was strak opgestoken, en aan haar linkerpols schitterde de gouden armband met het klavertje vier.

Het was Claire. Mijn jongere zus. Ze zag er nauwelijks ouder uit dan twintig jaar geleden, maar haar ogen waren koud en hard als ijs.

— "Nog steeds zo impulsief, Rita," zei Claire met een trage, cynische stem. — "Je bent geen haar veranderd. Je rent nog steeds blindelings het gevaar in zonder na te denken."

— "Waar is Sofie?" eiste ik, terwijl mijn stem trilde van woede en angst. — "Wat hebben jij en Arthur met haar gedaan?!"

Claire lachte zachtjes, een geluid zonder enige vreugde. Ze kwam langzaam de trap af, stap voor stap, met een klein zilveren pistool in haar rechterhand.

— "Arthur?" vroeg ze spottend. — "Denk je echt dat Arthur achter dit alles zit? De arme, naïeve Arthur die al veertig jaar denkt dat hij de baas is in huis?"

— "Ik heb de opname gehoord!" roep ik uit. — "Hij heeft gezegd dat dinsdag alles voorbij moet zijn! Hij sprak over geld op een Zwitserse rekening!"

Claire bleef onderaan de trap staan, op een paar meter afstand van mij. Ze keek me aan alsof ze medelijden met me had.

— "Arthur is slechts een pion, Rita. Een pion die ik al maandenlang gebruik. Die opname die je in de kelder vond? Die heb ik daar neergelegd. Ik wist dat je de blauwe map zou zoeken zodra Sofie je belde."

Mijn hoofd tolde. — "Wat... wat zeg je daar?"

— "Het was een val, zusje," legde Claire ijskoud uit. — "Sofie belde je niet uit eigen beweging. Ik lieten haar bellen. Ze moest je vertellen dat je Arthur niet mocht vertrouwen, zodat jij achter Arthur aan zou gaan en mij de ruimte zou geven om het werk af te maken."

— "Waarom?" snikte ik. — "We zijn familie, Claire! Waarom doe je ons dit aan?"

Claire's gezicht vertrok van plotselinge, vurige haat. Haar kille houding maakte plaats voor pure razernij.

— "Familie?" spuwde ze de woorden uit. — "Vergeet je wat er veertig jaar geleden is gebeurd op die camping in Spa? Vergeet je hoe jij en vader mij uit de erfenis van het familiebedrijf hebben geschrapt? Jullie lieten me achter met niets! Niets!"

— "Dat is niet waar!" riep ik. — "Vader heeft het bedrijf verkocht omdat het failliet was!"

— "Dat is de leugen die vader je heeft verteld!" schreeuwde Claire. — "Het bedrijf was niet failliet! Het was miljoenen waard! En vader heeft al het geld op een geheime rekening in Zwitserland gezet — een rekening die hij later op naam van jouw dierbare dochter Sofie heeft gezet toen ze geboren werd!"

Ik staarde haar sprakeloos aan. Een geheim vermogen? Sofie?

— "Sofie kwam er drie maanden geleden achter," ging Claire verder, terwijl ze weer kalmer werd en het pistool stevig vasthield. — "Als financieel expert stuitte ze op het spoor van de stichting die vader had opgericht. Ze wilde het geld eerlijk verdelen, maar toen ik erachter kwam... wilde ik alles. Het hoort mij toe! Als compensatie voor veertig jaar verraad!"

— "Waar is ze, Claire? Leeft ze nog?" smeekte ik, de tranen stromend over mijn wangen.

— "Ze leeft," antwoordde Claire. — "Maar niet voor lang meer als ze de toegangscodes van de Zwitserse rekening niet geeft. Dinsdag vervalt de wettelijke termijn van de stichting. Als de codes voor dinsdag twaalf uur 's middags niet zijn ingevoerd, gaat het gehele vermogen naar een goed doel en hebben we allemaal niets."

Dat was het dus. Dinsdag 26 oktober. Dan is het te laat om...

— "Arthur probeert haar te redden, nietwaar?" vroeg ik plotseling, toen de puzzelstukjes in mijn hoofd op hun plek begonnen te vallen.

Claire fronste haar wenkbrauwen. — "Arthur is een dwaas. Hij ontdekte twee weken geleden dat ik Sofie vasthield. Hij probeerde me te betalen met zijn eigen spaargeld om haar vrij te laten. Hij ging naar Luik om met mijn mensen te onderhandelen. Maar Arthur is te zwak."

Een golf van diepe schaamte en spijt overspoelde me. Arthur... mijn man... hij probeerde onze dochter te beschermen! Hij verbergde het voor mij om mij niet in gevaar te brengen! En ik had hem gewantrouwd!

— "En nu," zei Claire terwijl ze het pistool op mijn borst richtte, — "ben jij hier. Sofie weigerde te praten, zelfs toen we haar bedreigden. Maar als ze ziet wat er met haar geliefde moeder gebeurt... zal ze snel genoeg de codes geven."

— "Je bent gek geworden, Claire," zei ik fluisterend.

— "Misschien," glimlachte ze vals. — "Maar ik ben binnenkort wel schatrijk."

Claire pakte een kleine portofoon uit haar zak en sprak erin: — "Hij is er. Breng het voertuig naar voren. We overbrengen haar naar het kasteel."

Er klonk een zwaar motorgeluid buiten de watermolen. Een grote bus stopte voor de houten deuren.

Twee grote, gewapende mannen in zwarte kleding kwamen de molen binnen. Ze pakten me ruw bij mijn armen en meegesleurd naar buiten. Ik probeerde tegen te stribbelen, maar mijn krachten schoten tekort.

Ze duwden me in de achterkant van de zwarte bus. In de duisternis van het voertuig zag ik een gedaante op de vloer liggen, vastgebonden bij haar handen en voeten.

— "Mam...?" klonk een verzwakte, bekende stem uit de hoek.

— "Sofie!" schreeuwde ik, en ik wierp me op de vloer naast mijn dochter.

Sofie leefde! Ze was mager, haar gezicht was bleek en vertoonde blauwe plekken, maar haar ogen stonden helder. Ik omhelsde haar zo stevig als ik kon, terwijl de tranen van ons beiden over onze wangen stromen.

— "Het spijt me, mam," fluisterde Sofie. — "Ik wilde je er niet in betrekken... Ik probeerde je te waarschuwen..."

— "Het geeft niet, mijn kind," zei ik, terwijl ik haar haar uit haar gezicht streek. — "Ik ben hier bij je."

De deuren van de bus sloegen dicht en het voertuig trok op met hoge snelheid.

In de duisternis van de rijdende bus voelde ik dat Sofie me iets in de hand duwde. Het was een klein, hard voorwerp dat ze in haar palm verborgen had gehouden.

Ik voelde met mijn vingertoppen aan de vorm.

It was een klein flesje met een vloeistof en een opwindbare zaklamp.

— "Papa heeft dit in de telefooncel in Luik voor me achtergelaten," fluisterde Sofie heel zachtjes in mijn oor, zodat de mannen voorin het niet konden horen. — "Hij is ons aan het volgen..."

Op dat moment klonk er een harde knal van buiten, gevolgd door het gieren van de banden van de bus...