DUIVEN IN HET DUISTER
News Story

DUIVEN IN HET DUISTER

26 weergaven

De stilte in de woonkamer werd zo zwaar dat ik het getik van de klok aan de muur nauwelijks meer kon horen boven mijn eigen hamerende hartslag. Arthur volgde mijn blik naar zijn jas bij de voordeur. De warme, zorgzame uitdrukking op zijn gezicht leek in een fractie van een seconde te bevriezen.

— "Wat is er, Rita?" vroeg hij zacht, maar er zat een ijzige ondertoon in zijn stem die ik in al die veertig jaar dat we getrouwd waren nog nooit had gehoord.

— "Je... je zei dat je naar de bibliotheek ging vanmorgen," bracht ik er stammerend uit, terwijl ik me vastgreep aan de rand van de eikenhouten tafel. — "Maar dat kaartje in je zak... Waarom ben je naar Luik gegaan, Arthur?"

Arthur keek me een lange minuut zwijgend aan. Hij zette zijn kop thee neer op het schoteltje, wat een hard, klakkend geluid maakte. Hij haalde diep adem en leunde naar achteren in zijn stoel.

— "Je had de jas niet moeten doorzoeken, Rita," zei hij heel rustig. — "Er zijn dingen waar je beter niets van weet. Voor je eigen veiligheid."

— "Mijn veiligheid?" riep ik uit, en mijn stem sloeg over van emotie. — "Sofie is verdwenen! Ze belde me net! Ze belde vanuit een telefooncel in Luik, Arthur! En jij was daar ook! Wat is er in hemelsnaam aan de hand?"

Arthur schrok niet toen ik vertelde dat Sofie had gebeld. Geen blik van verbazing, geen zucht van verlichting dat haar dochter nog leefde. Zijn reactie was vreemd beheerst, alsof hij al precies wist wat er ging gebeuren. Hij sloot zijn ogen even en massageerde de brug van zijn neus.

— "Heeft ze je verteld over de blauwe map?" vroeg hij op een doffe toon.

Die vraag sloeg bij mij in als een bom. Hij wist van de blauwe map.

— "Nee," loog ik wanhopig, indachtig de dringende waarschuwing van mijn dochter om niemand te vertrouwen. — "Ze schreeuwde alleen maar dat ze bang was, dat ze in Luik was en dat de verbinding werd verbroken. Waarom vroeg je naar die map, Arthur? Wat zit er achter dit alles?"

Arthur stond langzaam op uit zijn stoel. Hij was een grote man, en hoewel hij de zestig al ruimschoots gepasseerd was, hing er op dit moment een dreigende schaduw om hem heen. Hij liep niet naar mij toe, maar liep rechtstreeks naar de voordeur, pakte zijn jas en trok het buskaartje eruit. Hij stak het in zijn broekzak.

— "Luister goed naar me, Rita," zei hij, terwijl hij bij de voordeur bleef staan met zijn hand op de klink. — "Als Sofie weer belt, antwoord dan niet. Als ze je vraagt om ergens heen te gaan, ga dan niet. En als je die blauwe map vindt... verbrand hem direct. Kijk er niet in."

— "Arthur, waar ga je heen? Wat verberg je voor mij?!" schreeuwde ik, terwijl ik opstond en naar hem toe wilde lopen.

— "Ik moet de zaken rechtzetten voordat het dinsdag is," zei hij raadselachtig. — "Sluit de deur achter me op slot. Doet voor niemand open."

Voordat ik hem kon tegenhouden, stapte hij naar buiten. De zware houten voordeur viel met een harde klap achter hem dicht. Ik hoorde de sleutel in het slot draaien aan de buitenkant. Hij had me opgesloten.

Rennend haastte ik me naar het raam van de woonkamer en trok het vitrage opzij. Buiten in de gietende regen zag ik Arthur snel straat uit lopen. Maar hij liep niet naar zijn eigen auto. Aan de overkant van de straat stopte een zwarte sedan met getinte ruiten. De deur ging open, Arthur stapte in, en de auto reed met hoge snelheid weg in de duisternis.

Mijn knieën begaven het en ik zakte door op de houten vloer. Mijn eigen echtgenoot, de man die ik dacht door en door te kennen, werkte samen met vreemden in een zwarte auto. En hij wist van de blauwe map.

Toen ik daar zo op de koude vloer zat, herinnerde ik me dat ik de map in de badkamer onder het meubel had verstopt. Ik moest weten wat die vreemde zin betekende: “Rita - Volgende week dinsdag. Dan is het te laat om...”

Ik stond met moeite op en liep terug naar de badkamer. Ik knielde neer bij het badkamermeubel, reikte met mijn arm naar achteren onder de kast en mijn vingers raakten het karton aan. Ik trok de blauwe map tevoorschijn.

Maar toen ik de map opensloeg, stokte mijn adem.

Het A4-tje dat ik er een half uur geleden in had gestopt... was verdwenen.

In plaats daarvan lag er een heel ander voorwerp in de map. Een klein, koperen sleuteltje met een nummer erin gestanst: 408.

Mijn hoofd tolde. Hoe kon het papier zijn verdwenen? Arthur was de badkamer niet in geweest... of toch wel? Toen ik beneden de thee hoorde inschenken, was hij toen weer naar boven geslopen? Of was er iemand anders in het huis geweest terwijl ik beneden zat?

Mijn oren vingen plotseling een geluid op dat mijn bloed deed stollen.

Uit de kelder, die zich onder de keuken bevond, klonk het gedempte, regelmatige geluid van een klok. Geen gewone klok, maar een mechanisch tikkend geluid, gevolgd door een zachte, piepende stem.

Een stem die akelig veel leek op die van Sofie.

Met het koperen sleuteltje strak in mijn hand geknepen, liep ik op mijn tenen richting de keukendeur. De deur naar de kelder stond op een kier. Een smal streepje koud, geel licht scheen uit de diepte van de trap omhoog.

Mijn hart hamderde zo hard in mijn keel dat het bijna pijn deed. Ik duwde de keldurdeur langzaam verder open. De scharnieren piepten zachtjes.

— "Sofie?" fluisterde ik in de duisternis van de trapopgang.

Er kwam geen antwoord, behalve het aanhoudende, kille getik van het mechanisme beneden. Stap voor stap zakte ik af naar de kelder, de koude stenen muur vasthoudend met mijn linkerhand.

Onderaan de trap scheen de enkele gloeilamp die aan het plafond bungelde. De kelder van ons oude huis werd meestal alleen gebruikt voor het bewaren van oude meubels en jampotten. Maar nu zag het er heel anders uit.

In het midden van de kelder stond een grote, oude archiefkast die Arthur jaren geleden van zijn werk had meegebracht. De kast was altijd op slot geweest, en Arthur had altijd gezag over de sleutel.

Op de vloer vóór de archiefkast lag een klein, rood kinderlaarsje.

Mijn adem stokte. Het was het rode laarsje dat Sofie droeg toen ze vier jaar oud was — een laarsje dat we meer dan dertig jaar geleden kwijt waren geraakt op een camping in de Ardennen.

Hoe kwam dat laarsje hier? En waarom lag het hier nu, pas net neergelegd op het verse stof?

Ik keek naar de archiefkast en zag een koperen sleutelgat op het bovenste ladefront. Ik keek naar het sleuteltje in mijn hand met het gestanste nummer 408.

Trillend stapte ik naar de kast toe en stak het sleuteltje in het slot. Het paste precies. Met een droge klik ontgrendelde het slot.

Ik trok de zware metalen lade open.

Er lagen geen papieren in. Er lag een oude, werkende bandrecorder, waarvan de twee spoelen langzaam ronddraaiden. Het tikkende geluid kwam van het bandmechanisme. En naast de bandrecorder lag een stapel recente foto's.

Ik pakte de foto's met trillende vingers op en hield ze onder het gele licht van de gloeilamp.

Op de eerste foto zag ik Arthur, staand voor een groot, grijs gebouw in een onbekende stad. Naast hem stond een jonge vrouw met haar rug naar de camera.

Maar het was de tweede foto die me bijna het bewustzijn deed verliezen.

Het was een foto van mijzelf. Genomen vanochtend vroeg, terwijl ik vanuit het slaapkamerraam naar buiten keek. Op het papier van de foto was met rode inkt een grote 'X' over mijn gezicht getekend, en daaronder stond dezelfde datum geschreven als op het verdwenen papier:

Dinsdag 26 oktober.

En precies op dat moment ging de bandrecorder op de spoel over naar een luid, krassend geluid, en klonk de stem van Arthur heel duidelijk door de kleine kelderruimte:

— "Rita zal het nooit begrijpen. Dinsdag moet alles voorbij zijn."

Boven mij hoorde ik plotseling het geluid van een voordeur die met een luid schrapend geluid open werd gebroken, gevolgd par zware, snelle voetstappen die de gang in rennen...