De kille stem aan de telefoon bleef als een echo in de gang hangen. Tante Rita. Hij noemde me zijn tante. Victor De Smet — de zoon van de broer van mijn biologische vader. Een man die ik nog nooit in mijn leven ontmoet had, maar die vanuit de schaduw het leven van mijn gezin bestuurde.
Ik liep terug naar de keuken en keek Arthur en Sofie aan. Mijn handen trilden niet langer. De angst die me de afgelopen dagen verlamd had, maakte langzaam plaats voor een koele, onbuigzame woede.
— "Wie was het, Rita?" vroeg Arthur bezorgd.
— "Victor De Smet," antwoordde ik rustig. — "Hij wil de zwarte map. Morgenochtend om tien uur bij het Atomium in Brussel. Hij dreigde dat als we de politie inlichten, Sofie de fusie van dinsdag niet zal overleven."
— "Dat is waanzin!" riep Sofie uit. — "We kunnen niet alleen gaan! Victor heeft een heel netwerk van bewakers en corrupte ambtenaren achter zich staan! Hij ruimt mensen op alsof het vuilnis is!"
— "We gaan ook niet alleen," zei ik met een ijzige vastberadenheid. — "Maar we bellen ook de gewone politie niet."
Arthur keek me niet-begrijpend aan. — "Wat ben je van plan, Rita?"
— "Rechercheur De Vos," zei ik, denkend aan de oudere rechercheur van de federale politie die ons in Spa had geholpen. — "Hij zei dat hij de financiële transacties rond het kasteel al weken in de gaten hield. Hij weet dat er grotere krachten in het spel zijn. We bellen hem rechtstreeks op zijn persoonlijke nummer."
Sofie knikte traag. — "De Vos is van de Dienst Financiële Misdrijven. Hij is onafhankelijk van de lokale politie in Brussel."
Tien minuten later zat ik aan de keukentafel met rechercheur De Vos aan de lijn. Ik legde hem alles uit: de zwarte map, de namen van Victor De Smet, het Atomium en het ultimatum van morgenochtend.
Er viel een lange stilte aan de andere kant van de lijn.
— "Mevrouw Van den Bossche," zei De Vos ten slotte met een ernstige stem. — "Victor De Smet is een vis die we al vijf jaar proberen te vangen. Hij is extreem voorzichtig en heeft overal informanten. Als hij merkt dat wij op het Atomium zijn, blaast hij de hele operatie af en verdwijnt hij naar het buitenland."
— "Wat moeten we dan doen?" vroeg ik.
— "U moet gaan," antwoordde De Vos. — "U en uw dochter. U moet de zwarte map overhandigen alsof u bang bent en volledig meewerkt. Wij zullen in burgerkleding aanwezig zijn, onzichtbaar in de menigte. Zodra Victor de map fysiek in handen neemt en de overdracht bevestigt, grijpen we in."
— "Het is gevaarlijk, rechercheur," zei ik.
— "Ik weet het, mevrouw. Maar het is de enige manier om hem definitief vast te spijkeren voor de fusie van dinsdag."
De volgende ochtend om negen uur reed Arthur ons in onze oude auto naar Brussel. De lucht boven de Belgische hoofdstad was grauw en zwaar van de mist. Het gigantische stalen monument van het Atomium doemde op uit de nevel als een buitenaards bouwwerk.
De parkeerplaats rond het Atomium was rustig op dit vroege uur. Er wandelden slechts een paar toeristen en joggers door het park.
Sofie en ik stapten uit. Sofie droeg de zwarte lezeren map strak onder haar arm geklemd. Arthur bleef in de auto zitten, zijn hand om het stuur geklemd, klaar om te reageren als er iets misging.
We liepen naar de centrale rotonde recht onder de onderste bol van het Atomium. De kille wind floot door de stalen constructie boven onze hoofden.
Mijn horloge gaf precies tien uur aan.
Uit de mist wandelde een slanke man in een op maat gemaakt grijs pak op ons toe. Hij droeg een dure zonnebril en hield een zilveren wandelstok in zijn hand. Aan zijn pols schitterde een duur gouden horloge.
Het was de man van de kasteelpoort. Victor De Smet.
— "Tante Rita... Sofie," zei Victor met een beschaving die valser klonk dan goud. Hij nam zijn zonnebril af en onthulde kille, grijze ogen die sprekend leken op die van mijn biologische vader op de oude foto's. — "Wat fijn dat jullie zo stipt zijn. Dat waardeer ik in familie."
— "We zijn geen familie van jou, Victor," zei ik strak. — "Jij hebt mijn dochter ontvoerd, je hebt Claire gebruikt en je hebt ons leven een hel gemaakt."
Victor lachte zachtjes, een droog en zielloos geluid. — "Claire was een domme gokker die dacht dat ze slim was. Ik heb haar alleen maar gegeven wat ze wilde: hoop. En Sofie... tja, Sofie was een uitstekende auditor tot ze te nieuwsgierig werd."
— "Hier is je map, Victor," zei Sofie, terwijl ze een stap naar voren deed en de zwarte lezeren map voor zich hield. — "Neem hem en laat ons voor altijd met rust."
Victor reikte zijn hand uit naar de map. Zijn vingers raakten het lezer aan.
— "Met genoegen," glimlachte hij. — "En wat betreft die fusie van dinsdag... jullie zullen er niets van merken."
Op dat exacte moment klonk er een schril fluitje door het park.
Vanuit drie verschillende kanten kwamen mannen en vrouwen in burgerkleding tevoorschijn, hun wapens getrokken en hun politielegitimatie opengeklapt.
— "Federale politie! Blijf staan! Handen omhoog!" schreeuwde rechercheur De Vos, die van achter een grote stalen pilaar tevoorschijn stapte.
Victor verstijfde niet. Er ging geen spoor van paniek over zijn strakke gezicht. In plaats daarvan glimlachte hij breed.
— "Ach, De Vos," zei Victor rustig, zonder zijn handen op te tillen. — "Nog steeds zo voorspelbaar."
Victor drukte op een knop aan de bovenkant van zijn zilveren wandelstok.
Aan de overkant van de rotonde, waar de auto van Arthur geparkeerd stond, klonk plotseling het geluid van gierende banden. Een zware zwarte vrachtwagen reed met hoge snelheid recht op de stilstaande auto van Arthur af!
— "ARTHUR!" schreeuwde ik buiten zinnen van angst.
— "Laat de map vallen en laat me lopen, De Vos," zei Victor ijskoud tegen de rechercheur, — "of die vrachtwagen ramt de auto met je echtgenoot erin plat..."






