Het bloed in mijn aderen leek op te drogen. Mijn hand beefde toen ik het kleine papiertje van de grond raapte. Het handschrift was strak, modern en absoluut niet van de oude, sierlijke hand van Arthur.
Ik vouwde het briefje open. Er stonden slechts drie regels op geschreven:
'Denk je echt dat een oude man al dit werk alleen kon doen, Julian? Arthur was de architect, maar ik ben de bouwer. Welkom in de familie Vance. We zien elkaar snel in Uruguay.'
Mijn hart begon weer wild te kloppen. Een partner? Arthur had nooit gesproken over een handlanger! Had hij mij de hele tijd stiekem geleid naar een groter netwerk? Was de stichting in Uruguay geen veilige schuilplaats, maar de thuisbasis van een organisatie die nog veel groter was dan het Syndicaat van Victor?
Ik staarde naar het nieuwe paspoort op mijn naam: Lucas Vance. Het was geen willekeurige naam. Het was dezelfde achternaam die op een van de valse paspoorten van Arthur in de koffer lag — Viktor Vance.
Arthur had me niet alleen een nieuw leven gegeven; hij had me een identiteit gegeven die diep verwoven was met zijn eigen verleden!
Ik verliet de kluisruimte van de bank in een roes van verwarring. De bankdirecteur overhandigde me met een diepe buiging de sleutels, de bankpas en de papieren van het landgoed.
"Een goede reis naar Zuid-Amerika, meneer Vance," zei hij met een ijzige, professionele glimlach.
Ik stapte de koude straat van Zurich op. De regen was veranderd in lichte sneeuwvlokken die op de marmeren stoep van de bank snel smolten. Ik keek om me heen. De mensen wandelden gehaast voorbij, gehesen in dikke winterjassen, op weg naar hun werk, hun gezinnen, hun normale levens.
Ik was niet langer Julian, de gewone jongeman die elke zondag boodschappen deed voor zijn oude buurman. Julian was gestorven in het brandende pakhuis aan de rivier. Ik was nu Lucas Vance — een man met veertien miljoen euro, een landgoed aan de andere kant van de oceaan en een verleden dat niet van mij was, maar dat me wel overal zou volgen.
Ik liep terug naar mijn auto in de ondergrondse garage. Ik gooide de tas met papieren op de bijrijdersstoel en ging achter het stuur zitten.
Ik haalde het dagboek van Arthur tevoorschijn uit mijn jas. Ik bladerde wanhopig door de pagina's, op zoek naar een naam, een aanwijzing, een vermelding van een partner. Maar er was niets. Arthur had de identiteit van deze 'bouwer' zorgvuldig geheimgehouden.
Waarom? Was het een laatste bescherming? Of was het een valstrik die Arthur voor mij had neergezet om zijn erfenis voort te zetten?
Ik keek in de binnenspiegel van mijn auto. De man die mij aankeek, zag er anders uit dan een maand geleden. Mijn ogen stonden strakker, de vermoeidheid lag diep in de kringen onder mijn ogen, en de naïviteit van mijn oude leven was voorgoed verdwenen.
Ik had twee keuzes.
Ik kon de bankpas pakken, het geld opnemen, het paspoort verbranden en verdwijnen in het niets als een naamloze vreemdeling zonder verleden.
Of ik kon het vliegtuig stappen naar Uruguay, de sleutel van het landgoed gebruiken en ontdekken wie de persoon was die het briefje in mijn paspoort had gestopt.
Ik stak de sleutel in het contact van de auto. De motor sloeg aan met een dof gebrom.
Ik keek naar het paspoort van Lucas Vance dat op de stoel naast me lag.
Mijn besluit stond vast. Ik wilde de hele waarheid weten. Ik wilde weten wie Arthur Sterling werkelijk was tot de allerlaatste seconde van zijn leven...






