"Wat bedoel je met 'ze hebben hem al'?" schreeuwde ik, terwijl ik op Thomas afstapte en hem bij de revers van zijn natte jas greep. Ik schudde hem door elkaar met een kracht die ik niet van jezelf kende. "Waar is mijn zoon, Thomas?! Wat heb je gedaan?!"
Thomas bood geen weerstand. Hij liet zich heen en weer trekken als een lappenpop. Zijn gezicht was nat van een mengsel van regen en tranen, en zijn lippen trilden hevig.
"Ik was hier net voor jou," stamelde hij, terwijl hij naar de duisternis tussen de bomen wees. "Ik zag een zwarte wagen wegrijden. Een oude Mercedes. Lucas stapte in... hij werd niet gedwongen, Marianne. Hij stapte zelf in! Een vrouw achter het stuur riep zijn naam, en hij keek naar haar आल्सोf hij een spook zag. Hij stapte gewoon in!"
"Wie was die vrouw?!" gilde ik.
"Ik kon haar gezicht niet goed zien door de storm," zei Thomas hees. "Maar ze leek... mijn God, Marianne, van de zijkant leek ze als twee druppels water op jouw moeder. Niet zoals Elisabeth eruitzag toen ze stierf, maar zoals ze er twintig jaar geleden uitzag!"
Mijn adem stokte in mijn keel. De wereld leek om me heen te draaien. Het idee dat mijn moeder nog leefde was krankzinnig. Ik had haar immers zelf bijgestaan in haar laatste dagen. Ik had haar hand vastgehouden in het hospice toen ze haar laatste adem uitblies. Ik had bij haar kist gestaan. Ik had gezien hoe ze werd begraven op de centrale begraafplaats van de stad.
Hoe kon er een vrouw rondrijden die op haar leek?
"Je bent gek geworden," fluisterde ik, en ik liet hem los. "Je verzin dit allemaal om je eigen hachje te redden. Je bent dertien jaar geleden gevlucht omdat je een lafbek bent, en nu kom je terug met een krankzinnig sprookje!"
"Kijk dan in die envelop!" schreeuwde Thomas wanhopig back. "Kijk wat erin zit voordat je me veroordeelt!"
Ik keek naar de envelop die ik nog steeds stijf opgesloten hield in mijn hand. De regen maakte het papier al zacht en drassig. Met bevend papier scheurde ik de bovenkant los.
In de envelop zat geen brief, maar een oude, zwart-wit foto en een sleutel met een koperen label eraan.
Ik hield de foto onder het schijnsel van de straatlantaarn. Het was een foto van twee jonge vrouwen, arm in arm, staand voor hetzelfde stadsziekenhuis waar Lucas later zou worden opgenomen. Ze leken sprekend op elkaar — een twee-eiige of misschien zelfs identieke tweeling. De een was onmiskenbaar mijn moeder, Elisabeth. Maar wie was de ander? Mijn moeder had nooit gesproken over een zus. Volgens alles wat mij altijd was verteld, was ze enig kind geweest, opgegroeid in een klein dorp op het platteland.
Ik draaide de foto om. Op de achterkant stond in het nette handschrift van mijn moeder geschreven:
Elisabeth & Eleanor. 1984. Vergeef me, zusje, dat ik jouw leven heb gestolen.
De sleutel op het koperen label droeg een nummer: Kluis 142 - Hoofdstation.
Mijn knieën dreigden onder me weg te zakken. Thomas greep mijn arm vast om te voorkomen dat ik viel, maar ik trok me hardhandig los.
"Eleanor..." fluisterde ik. "Wie is Eleanor?"
"Dat is de vrouw die dertien jaar geleden in het ziekenhuisdossier werd genoemd," zei Thomas zacht. "Toen jouw moeder mij het geld gaf om te verdwijnen, zei ze dat er een 'gevaarlijke erfenis' was. Ze zei dat als ik bleef, een vrouw genaamd Eleanor zou ontdekken dat Lucas bestond, en dat ze hem zou opeisen. Ze maakte me zo bang, Marianne... Ze zei dat Eleanor machtige mensen kende, dat ze alles zou verwoesten."
"En jij geloofde haar gewoon?!" schreeuwde ik, terwijl de woede als een vloedgolf door me heen spoelde. "Je nam het geld en liet mij achter in de veronderstelling dat mijn man niet meer van me hield! Je liet Lucas opgroeien zonder vader, alleen maar vanwege een dreigement van een oude vrouw?!"
"Ik was jong en failliet!" huilde Thomas. "Ik dacht dat ik jullie beschermde! Elisabeth zwoer dat ze voor jullie zou zorgen, dat ze jou alle geld zou geven dat je nodig had. En dat heeft ze toch ook gedaan?"
"Ze heeft me belogen!" mijn stem sloeg over van verontwaardiging. "Mijn hele leven is opgebouwd op een fundament van leugens! Als die vrouw Eleanor is... als zij Lucas heeft meegenomen... wat wil ze dan van hem?"
"De waarheid," zei een koele, onbekende stem achter ons.
Thomas en ik draaiden ons tegelijk om.
Aan de rand van de parkeerplaats, half verborgen in de schaduw van een grote eik, stond een man. Hij droeg een lange, grijze regenjas en een hoed die zijn gezicht grotendeels in de schaduw hulde. In zijn hand hield hij een zwarte paraplu.
"Wie bent u?" vroeg ik, terwijl ik instinctief een stap achteruit deed.
De man stapte langzaam naar voren, het licht van de lantaarnpaal in. Hij was een oudere man, hooguit eind zestig, met een strak getrokken gezicht en ijsblauwe ogen die doordringend op mij waren gericht.
"Mijn naam is Dokter Van der Meer," zei hij rustig. "Ik was dertien jaar geleden de behandelend arts van Lucas. En ik ben de man die jouw moeder heeft geholpen om het grootste misdrijf uit haar leven te verdoezelen."
Hij keek naar de sleutel in mijn hand.
"Als je jouw zoon levend terug wilt zien, Marianne, raad ik je aan om heel snel naar dat station te gaan. Maar wees gewaarschuwd: de inhoud van die kluis zal alles wat je denkt te weten over je eigen identiteit vernietigen."






