Toen de voordeur achter Thomas dichtsloeg, bleef ik verdoofd achter in de gang. Het geluid van de dichtslaande deur echode door het lege huis. Buiten huilde de wind langs de gevel, alsof de storm die zich in mijn leven ontlaadde fysieke vorm aannam. Mijn vingers klemden zich om mijn telefoon. Het schermpje lichtte op in het donker, en de naam op het display leek te branden in mijn netvlies: Elisabeth Vermeer.
Mijn handen trilden zo hevig dat ik nauwelijks het nummer van Lucas kon intoetsen. De kiestoon ging over. Een keer. Twee keer. Drie keer. Met elke seconde die verstreek, voelde het alsof er een zware steen op mijn borst werd gelegd. Waarom nam hij niet op? Hij was pas achttien jaar oud, een jongen die net begon te begrijpen hoe de wereld in elkaar stak, en nu werd hij getrokken in een moeras van leugens dat dertien jaar lang zorgvuldig bedekt was gebleven.
"Kom op, Lucas, neem op..." fluisterde ik smekend tegen het doffe scherm.
Bij de vijfde kiestoon klikte de verbinding open, maar het was niet de stem van mijn zoon die ik hoorde. Het was een zware, ruisende stilte, gevolgd door het geluid van de wind die door een autoraam blies.
"Lucas?" riep ik, mijn stem overslaand van paniek. "Lucas, waar ben je?"
"Mam?" Zijn stem klonk verward, gedempt door de achtergrondgeluiden van de weg. "Wat is er aan de hand? Waarom klink je zo... bang?"
"Waar ben je op dit moment? Zeg het me, alsjeblieft!"
"Ik ben onderweg naar het eetcafé in het centrum," antwoordde hij langzaam. "Met Sven en Bram. Maar mam, ik kreeg net dat vage telefoontje... Ik begrijp er niks van. De vrouw aan de lijn zei dat ze in het park bij de oude watertoren op me wacht. Ze zei dat ze spullen van oma Elisabeth heeft. Echte spullen. En ze noemde een naam die ik nog nooit heb gehoord."
Een ijzige kou trok door mijn ruggengraat. De oude watertoren lag aan de rand van de stad, een verlaten, slecht verlichte plek die 's avonds nauwelijks door iemand werd bezocht.
"Lucas, luister heel goed naar me," zei ik met de meest dringende stem die ik kon opbrengen. "Rijd daar niet naartoe. Draai om. Ga naar huis of blijf bij je vrienden in het drukke centrum. Ga absoluut niet naar die watertoren!"
"Maar mam, ze zei dat het ging over wie ik werkelijk ben! Ze zei dat jij en oma dingen voor me hebben achtergehouden. Ze klonk niet gevaarlijk, ze klonk... wanhopig."
"Ze liegt, Lucas! Thomas was hier net!"
Er viel een dodelijke stilte aan de andere kant van de lijn. De naam van zijn vader, de man die hem dertien jaar geleden had achtergelaten en over wie we nooit meer sproken, viel als een bom in het gesprek.
"Wat... wat zei je?" stotterde Lucas. "Vader? Die man is hier geweest?"
"Ja, en alles is een grote valstrik. Ik leg het je uit, maar alsjeblieft, beloof me dat je niet naar de watertoren gaat!"
"Mam, ik ben er al bijna," zei hij zacht, en de angst in zijn eigen stem werd nu voelbaar. "Ik zie de omtrek van de toren al. Er staat een zwarte auto met de lichten aan."
"Lucas! Nee!" schreeuwde ik, maar de verbinding werd abrupt verbroken. Een scherpe pieptoon gaf aan dat het gesprek was beëindigd.
Ik dacht geen seconde meer na. Ik greep mijn autosleutels van het houten rekje bij de deur, trok niet eens een dikke jas aan en rende naar buiten. De koude regen van oktober sloeg genadeloos in mijn gezicht toen ik de straat op rende toward mijn kleine, roestige wagen. Mijn hart hamerde zo hard tegen mijn ribben dat het pijn deed.
Dertien jaar lang had ik geleefd in de veronderstelling dat ik de enige echte beschermer van Lucas was. Ik had mijn rug gebroken in de zorg, dubbele nachtdiensten gedraaid, mijn eigen dromen opgegeven om ervoor te zorgen dat hij niets tekortkwam. Mijn moeder, Elisabeth, was mijn rots in de branding geweest. Ze hield Lucas vast als hij huilde om zijn vader, ze bakte pannenkoeken op zondag, ze was de personificatie van moederlijke liefde.
Hoe kon haar naam nu op een illegaal medisch document staan? Hoe kon er een tweede Elisabeth Vermeer bestaan? Of erger nog... was mijn moeder niet de vrouw die ik dacht dat ze was?
Ik startte de motor, die met een schor geluid tot leven kwam, en trapte het gaspedaal diep in. De banden slipten over het natte asfalt. De straten van de stad waren vrijwel leeg. Het verlichte dashbord gaf tien uur 's avonds aan.
Terwijl ik door de rood-oranje lichten van de verkeerslichten snelde, vlogs de herinneringen aan mijn moeder door mijn hoofd. Elisabeth. Ze was een gereserveerde vrouw geweest, altijd heel netjes, altijd controle over haar emoties. Ze werkte vroeger als administratief hoofd in het stadsziekenhuis. Dat was dezelfde plek waar Lucas achttien jaar geleden was geboren, en waar hij als baby die mysterieuze opname had gehad.
Was haar functie in het ziekenhuis de sleutel tot dit alles? Had ze medische dossiers vervalst?
Mijn gedachten werden wreed onderbroken toen ik de afslag naar de Watertorenweg nam. De weg was smal, omzoomd door hoge, donkere eikenbomen waarvan de takken als skeletachtige vingers over het asfalt hingen. De regen werd steeds heviger en de ruitenwissers konden het water nauwelijks bijhouden.
In de verte zag ik de massieve, bakstenen contour van de oude watertoren tegen de donkere lucht afsteken. En daar, onder de schaduw van het reusachtige bouwwerk, zag ik rode achterlichten van een stilstaande auto.
Mijn koplampen schenen over de parkeerplaats. Ik zag de wagen van Lucas — een oude, blauwe tweedehands hatchback die we samen hadden gekocht toen hij zijn rijbewijs haalde. Zijn auto stond schuin geparkeerd. De deur aan de bestuurderszijde stond wijd open.
Er was niemand in de wagen.
Mijn maag krimpt in elkaar van pure terreur. Ik zette mijn auto met een schokkende stilstand stil, sprong eruit en sloeg de deur achter me dicht.
"Lucas!" schreeuwde ik de nacht in. "Lucas!"
De wind opslokte mijn stem. Geen antwoord.
Ik rende naar zijn auto. Op de zitting van de bestuurdersstoel lag zijn mobiele telefoon. Het scherm was gebarsten, alsof het op de grond was gevallen voordat het op de stoel was gegooid. Naast de telefoon lag een enkele, witte envelop.
Met trillende vingers pakte ik de envelop op. Er stond geen naam op, alleen een adres geschreven in een strak, ouderwets handschrift dat ik uit duizenden zou herkennen.
Het was het handschrift van mijn overleden moeder.
Voordat ik de envelop kon openen, hoorde ik een tak breken in het donkere bos achter de watertoren. Ik verstijfde. Langzaam draaide ik me om. Uit de schaduwen van de bomen stapte geen vreemde, maar een gedaante die ik dacht nooit meer te zien.
Het was Thomas. Hij was kletsnat, zijn gezicht was geelkleurig onder het schijnsel van de lantaarnpaal en zijn ogen stonden wild van angst.
"Je bent te laat, Marianne," fluisterde hij met een raspende stem. "Ze hebben hem al."






