DEEL 8 — HET ZIEKENHUIS VAN DE DOOD
De sirenes kwamen steeds dichterbij.
Maar ik hoorde ze nauwelijks.
Mijn ogen bleven op het scherm gericht.
Het adres.
Het ziekenhuis.
Dezelfde plek waar ik tien dagen geleden mijn tweeling ter wereld had gebracht.
Dezelfde plek waar Lucas mijn voorhoofd had gekust.
Dezelfde plek waar ik voor het eerst Emma en Elise in mijn armen had gehouden.
En nu was dat ziekenhuis geëvacueerd.
“Dit is een val,” zei Victor.
“Ik weet het.”
“Je mag daar niet heen.”
“Mijn dochters zijn daar misschien.”
“Misschien,” zei hij. “Dat is precies wat ze willen dat je denkt.”
Ik keek hem aan.
“En als ze daar wél zijn?”
Hij zweeg.
Ik wist genoeg.
“Ik ga.”
Mijn advocaat kwam via de verborgen ingang de kelder binnen.
Zijn jas zat onder de sneeuw.
“De politie heeft het terrein omsingeld.”
“Mijn kinderen zijn ontvoerd.”
Hij knikte.
“We weten het.”
“Dan moeten we naar het ziekenhuis.”
Hij keek naar Victor.
“Absoluut niet.”
“Waarom?”
“Omdat het ziekenhuis niet alleen is geëvacueerd vanwege die explosie.”
“Wat dan?”
Hij haalde een document uit zijn jas.
“Er is vanochtend een gaslek gemeld.”
“Echt?”
“Nee.”
Hij keek me ernstig aan.
“Het alarm is handmatig geactiveerd.”
Mijn hart sloeg sneller.
“Door wie?”
“Door iemand met toegang tot het interne beveiligingssysteem.”
Ik begreep het meteen.
“Helena.”
“Waarschijnlijk.”
Victor schudde zijn hoofd.
“Ze wil ons naar het ziekenhuis lokken.”
Ik keek naar mijn advocaat.
“Dan weten we tenminste waar ze is.”
Hij wilde antwoorden, maar plotseling begon mijn noodtelefoon te trillen.
Een videogesprek.
Onbekend nummer.
Ik nam op.
Het gezicht van Helena verscheen.
Achter haar stond een lange ziekenhuisgang.
De lichten knipperden.
“Je bent onderweg,” zei ze.
“Waar zijn mijn kinderen?”
“Je bent slimmer dan ik dacht.”
“Laat ze zien.”
Ze draaide de camera.
Emma en Elise lagen in twee ziekenhuisbedjes.
Ze sliepen.
Ik voelde mijn knieën bijna bezwijken.
“Zijn ze gewond?”
“Nee.”
“Raak ze niet aan.”
Helena glimlachte.
“Ik heb ze beter beschermd dan iedereen ooit heeft gedaan.”
“Je hebt ze ontvoerd.”
“Ik heb ze gered.”
“Waarvoor?”
Helena zweeg.
Toen zei ze:
“Voor wat er nu gaat gebeuren.”
De verbinding werd verbroken.
Ik keek naar mijn advocaat.
“Ze zijn daar.”
Hij knikte langzaam.
“Of ze wil dat je dat denkt.”
“Wat als we beide opties voorbereiden?”
Victor keek mij aan.
“Hoe?”
Ik haalde diep adem.
“Laat haar geloven dat ik precies doe wat ze verwacht.”
Een half uur later reden we richting het ziekenhuis.
Niet met één voertuig.
Met vier.
Twee politieauto's.
Een ambulance.
En een onopvallende wagen waarin ik zat.
De sneeuw was opnieuw begonnen.
Toen we bij het ziekenhuis aankwamen, was het gebouw volledig donker.
Geen personeel.
Geen patiënten.
Geen verkeer.
Alleen een rood knipperend alarm boven de hoofdingang.
Ik stapte uit.
Victor hield me tegen.
“Blijf achter mij.”
“Nee.”
Hij keek verbaasd.
“Ik ga mijn dochters halen.”
We liepen naar binnen.
De deuren stonden open.
De geur van ontsmettingsmiddel hing nog steeds in de lucht.
Ik herkende de gang.
Hier had ik tien dagen geleden gelopen.
Hier had Lucas mijn hand vastgehouden.
Hier had ik gehuild toen Emma voor het eerst huilde.
Nu was alles verlaten.
“Emma?”
Mijn stem echode door de gang.
Geen antwoord.
We liepen naar de kraamafdeling.
De deur stond open.
De kamer waar ik was bevallen was leeg.
Het bed was verdwenen.
De monitoren waren uitgeschakeld.
Maar op de vloer lag iets.
Een klein roze dekentje.
Ik herkende het meteen.
Het was van Elise.
Ik bukte en pakte het op.
“Ze waren hier.”
Victor keek naar de muren.
“Of ze willen dat je dat denkt.”
Plotseling ging het licht aan.
Alle lampen tegelijk.
Een stem klonk door de intercom.
“Welkom terug, mevrouw Van Rijn.”
Helena.
Ik keek omhoog.
“Laat mijn kinderen zien.”
“Je bent dicht bij de waarheid.”
“Dat interesseert me niet.”
“Maar het zou je moeten interesseren.”
Op een monitor aan de muur verscheen een video.
Ik zag mezelf.
Vier jaar geleden.
Ik zat in een behandelkamer.
Jonger.
Verdrietig.
Naast mij stond een arts.
Ik herkende hem niet.
Toen kwam Lucas in beeld.
Hij legde een document op tafel.
Mijn ogen werden groot.
“Dat is onmogelijk.”
Victor keek naar de beelden.
“Wat is dit?”
Ik keek naar mijn advocaat.
“Waarom staat Lucas daar?”
Hij antwoordde niet.
De video ging verder.
De arts zei:
“Mevrouw Van Rijn, we kunnen uw behandeling starten zodra u toestemming geeft.”
Ik keek naar mezelf op het scherm.
Toen hoorde ik mijn eigen stem.
“Als dit mijn enige kans is om moeder te worden, doe het dan.”
De video stopte.
Ik voelde tranen over mijn wangen lopen.
Ik herinnerde me die dag.
Ik herinnerde me de behandeling.
Maar ik herinnerde me niet dat Lucas aanwezig was.
De volgende video begon.
Lucas zat alleen in dezelfde kamer.
Hij sprak met de arts.
“Zij mag nooit weten van wie het embryo afkomstig is.”
De arts vroeg:
“En als ze later vragen stelt?”
Lucas antwoordde:
“Dan zorgen we ervoor dat ze denkt dat het van haar is.”
Ik sloot mijn ogen.
Mijn hele leven leek een toneelstuk.
Toen verscheen een derde video.
Margriet.
Ze sprak met dezelfde arts.
“De kinderen moeten geboren worden.”
“Waarom?”
“Het testament kan alleen worden geactiveerd wanneer de erfgenamen geboren zijn.”
Ik voelde mijn adem stokken.
“Dus ze wilden dat ik zwanger werd.”
Victor keek mij aan.
“Niet alleen zwanger.”
Hij wees naar het scherm.
“Ze wilden dat jij de kinderen zou dragen.”
“Waarom?”
“Om juridische redenen.”
Mijn advocaat knikte.
“Als jij de biologische moeder was, had jij automatisch ouderlijke rechten.”
“Maar ik ben niet de biologische moeder.”
“Dat is precies waarom ze je nu willen uitschakelen.”
De intercom ging opnieuw aan.
Helena zei:
“Je begint het eindelijk te begrijpen.”
“Waar zijn mijn kinderen?”
“Vlakbij.”
“Laat ze zien.”
Een deur aan het einde van de gang ging open.
Ik hoorde een baby huilen.
Mijn hart brak.
“Emma!”
Ik rende naar voren.
Victor greep mijn arm.
“Wacht!”
“Laat me los!”
“Het is een val!”
Maar ik hoorde opnieuw het huilen.
Toen verscheen er iemand achter de deur.
Niet Helena.
Niet Margriet.
Niet Lucas.
Een oude man.
Hij droeg een ziekenhuisjas.
Hij keek naar mij.
En ik herkende hem.
Mijn adem stokte.
“Dat kan niet…”
Victor werd lijkbleek.
“Wie is dat?”
Ik fluisterde:
“Mijn vader.”
De man glimlachte.
En zei:
“Dag, dochter.”
Mijn advocaat deed een stap achteruit.
“Maar uw vader is al zes jaar dood.”
De man lachte zacht.
“Dat is precies wat ze iedereen hebben laten geloven.”
Achter hem klonk opnieuw het gehuil van mijn dochters.
Toen sloot de deur.
En het licht in de gang ging opnieuw uit.






