De stele wendeltrap lijk eindeloos te zijn. Stap voor stap klom ik omhoog in de pikdonkere, smalle koker van de oude stadstoren. De stenen treden waren afgesleten en glad van eeuwenoud vocht. Mijn knieën deden vreselijk pijn en mijn ademhaling klonk raspend in de nauwe ruimte, maar in mijn hoofd echoden de laatste woorden van Pieter en vader Thomas.
Ik mocht niet opgeven. Niet nu ik zo dicht bij de waarheid was.
Terwijl ik klom, tastte ik in de zak van mijn vest naar het eikenhouten kistje en het vergeelde briefje van Pieter. De gedachte dat mijn man niet zomaar was gestorven, maar was vermoord door de machtigste man van onze stad, vervulde me met een mengeling van diep verdriet en een vlammende woede. Pieter was een zachtmoedige man geweest, een man die hield van zijn tuin, zijn boeken en van mij. Dat ze hem hadden afgenomen en zijn naam hadden geprobeerd uit te wissen, was een onrecht dat ik niet onbestraft kon laten.
Na wat een eeuwigheid leek, bereikte ik een klein houten bordes. Vóór mij stond een zware, met ijzer beslagen eikenhouten deur. Dit moest de toegangsdeur tot de kluisruimte van de stadstoren zijn.
Met trillende vingers stak ik de koperen sleutel die vader Thomas me had gegeven in het grote sleutelgat. Het slot draaide zwaar om, met een diepe, metaalachtige klik. Ik duwde de deur open en stapte de ruimte binnen.
De torenkamer was cirkelvormig, met hoge, smalle boogramen die uitkeken over de donkere stad. De maan stond hoog aan de hemel en wierp een zilveren gloed over de ruimte. In het midden van de kamer stond een grote, antieke stalen kluis, half ingebouwd in de stenen muur. Op de deur van de kluis zat geen gewoon cijferslot, maar een ingewikkeld koperen mechanisme met allerlei tandwielen en een ronde uitsparing in het centrum.
Ik liep naar de kluis toe. Mijn hart klopte in mijn keel. Ik deed het zilveren locket van mijn hals af en bekeek de achterkant. Het motief van gegraveerde bloemen en fijne groeven bleek inderdaad een precies uitgesneden reliëf te zijn.
Ik hield het locket boven de centrale uitsparing van de kluisdeur. Het paste op de millimeter nauwkeurig.
Met een zachte druk klikte het medaillon vast. Onmiddellijk begonnen de koperen tandwielen op de kluisdeur vanzelf te draaien. Het klonk als het tikken van een reusachtige, antieke klok. Zwaar metaal verschoof binnenin de deur.
Klik. Klak. BAM.
De zware stalen kluisdeur sprong op een kier van een paar centimeter.
Mijn handen trilden zo erg dat ik moeite had om de zware deur verder open te trekken. Binnenin de kluis lag een dikke, lederen map, dichtgebonden met een rood lint. Bovenop de map lag een gloedverse, bloedrode roos — met verse dauwdruppels op de blaadjes.
Traanvocht belemmerde mijn zicht. "Pieter..." fluisterde ik.
Ik reikte mijn hand uit om de lederen map te pakken. Maar net toen mijn vingers het leer raakten, klonk er een ijskoude klap achter mij.
De zware eikenhouten toegangsdeur van de torenkamer werd met een harde stoot opengegooid.
Ik draaide me met een schok om. In de deuropening stond niet een van de ingehuurde spionnen, maar een man in een duur, maatgesneden donkerblauw pak. Hij droeg een gouden bril en zijn grijzende haar was strak naar achteren gekamd.
It was burgemeester Vranken himself. In zijn rechterhand hield hij een klein, zwart pistool, gericht op mijn borst.
"Wat een indrukwekkende prestatie, mevrouw Mien," sprak Vranken met een gladde, neppe glimlach op zijn gelaat. "Op uw leeftijd nog zo'n atletische klim maken... Ik moet bekennen dat ik u onderschat heb."
"U... u bent een moordenaar!" schreeuwde ik, terwyl ik mezelf voor de open kluis opstelden om de map te beschermen. "U heeft Pieter vergiftigd!"
Vranken zuchtte theatraal en deed een stap dichterbij. Het kille licht van de maan weerkaatste in zijn glazen bril.
"Pieter was een bemoeial," zei hij gevoelloos. "Hij wilde het verleden oprafelen dat rustig begraven had moeten blijven. Die documenten daarbinnen... ze zouden de financiële ondergang betekenen van de machtigste gezinnen in deze regio. Inclusief mijn familie. Denk je nu echt dat ik dat toe zou laten voor de moraal van een oude archivaris?"
"Het bewijs ligt hier!" riep ik wanhopig. "De hele stad zal weten wat u gedaan heeft!"
"Niemand zal er ooit achter komen," antwoordde Vranken ijskoud. Hij hief het pistool iets hoger. "U bent een eenzame, verwarde oude vrouw die rouwt om haar man. Als u vanavond 'per ongeluk' uit het torenraam valt... zal iedereen denken dat u uit wanhoop een einde aan uw leven heeft gemaakt. Een tragisch ongeval. En de documenten? Die gaan samen met dit oude gebouw morgen in de vlammen op."
Hij zette nog een stap naar voren en spande de haan van het pistool.
Ik voelde de deun van de kluis in mijn rug. Er was geen uitweg meer. Geen geheime gangen, geen vader Thomas, geen vluchtroute. Ik sluit mijn ogen en klemde mijn handen vast om de rand van de kluisdeur, biddend dat Pieter mij aan de andere zijde op zou opwachten.
Maar toen klonk er een plotselinge, ijzige windstoot door de smalle boogramen van de toren.
De temperatuur in de kamer daalde binnen één seconde tot ver onder het vriespunt. Onze adem wolkten op in de lucht. De vlammen van de fakkels aan de muur sloegen om van geel naar een spookachtig blauw.
Vranken verstijfde. Hij keek geschokt om zich heen. "Wat... wat is dit?"
Uit de donkere hoeken van de torenkamer begon zich een dikke, asgrijze nevel op te bouwen. De nevel voegde zich samen tot een gigantische, dreigende gedaante gehuld in een grijze mantel. De ogen van de verschijning gloeiden met een fel, ijsblauw licht.
"Vranken..." klonk een stem die het hele stenen gebouw deed trillen. Het was de stem van Henk en Pieter tegelijk, zo hard en machtig dat de ruiten in de boogramen begonnen te scheuren. "Jouw tijd is om."
Vranken slaakte een angstkreet en vuurde in paniek drie schoten af op de verschijning. De kogels vlogen recht door de nevel heen en ketsten met vonken af op de stenen achtermuur.
De verschijning strekte een gigantische, schaduwachtige arm uit naar de burgemeester...






