– "Politie! Laat je wapen vallen! Nu!"
Het felle licht van meerdere krachtige schijnwerpers verblindde de open plek bij de steengroeve. Zware laarzen stampten door het kreupelhout. Minstens vier gewapende agenten kwamen met getrokken pistolen uit de bosrand tevoorschijn.
Dirk verstijfde. Zijn ogen draaiden wild rond, zoekend naar een vluchtweg, maar de rand van de steengroeve sloot hem aan één kant in, en de agenten omsingelden hem aan de andere kant.
– "Laat het wapen vallen, Dirk! Het is voorbij!" schreeuwde een van de agenten.
Karin liet zich met een gil op haar knieën vallen, haar handen omhoog stakend.
– "Schiet niet! Schiet niet! Ik geef me over!" kreet ze hysterisch. "Hij heeft het pistool! Hij wilde hen neerschieten, ik niet!"
Dirk keek met pure minachting naar Karin. Hij wist dat hij verloren had. Langzaam, heel langzaam, liet hij het pistool uit zijn vingers glijden. Het viel met een doffe tikt op het vochtige gras. Twee agenten doken bovenop hem, drukten hem tegen de grond en sloegen hem in de boeien.
Een andere agent rende naar Sanne en mij toe.
– "Meneer Van der Meer? Gaat het met u? Zijn jullie gewond?"
Ik kon niet antwoorden. De spanning die mijn oude lichaam urenlang overeind had gehouden, vloeide in één klap uit me weg. Mijn benen begaven het en ik zakte door mijn knieën. Sanne ving me op en hield me vast, terwijl ze snikte van opluchting.
– "Het is voorbij, opa... het is voorbij," fluisterde ze.
Uren later zaten we op het politiebureau in het stadscentrum. De felverlichte, kille verhoorkamer stond in schril contrast met het warme huis dat ik eens bezat. Een deken lag om mijn schouders en een warme kop koffie stond onaangeroerd voor me op tafel.
Een rechercheur – een ernstige man met een grijs wordende baard genaamd Rechercheur De Jong – kwam de kamer binnen met een dik dossier onder zijn arm. Hij ging tegenover ons zitten.
– "Meneer Van der Meer, Sanne," begon hij met een lage, respectvolle stem. "We hebben de eerste verklaringen opgemaakt. Karin heeft een volledige bekentenis afgelegd. Wat zich hier heeft afgespeeld... is erger dan we ooit hadden kunnen vermoeden."
Ik keek op, mijn ogen dof.
– "Vertel me alles, rechercheur," zei ik met een schorre stem. "Ik wil geen geheimen meer. Niet na vierenveertig jaar."
De Jong knikte en sloeg het dossier open.
– "Het begint allemaal in 1968," zei hij. "Uw schoonvader, de heer Van der Berg, was inderdaad betrokken bij het gedwongen afstaan van het eerste kind van uw vrouw Anna. Elisabeth werd geboren in een besloten kliniek en direct ter adoptie afgestaan aan een rijke familie, de familie De Wit. Anna kreeg te horen dat haar kind dood was geboren."
Mijn hart kromp bijeen. Mijn arme, liefdevolle Anna. Hoeveel pijn had ze al die jaren stilletjes met zich mee moeten dragen?
– "Maar Anna ontdekte de waarheid rond 1995," ging De Jong door. "Ze begon een geheime zoektocht. Ze vond Elisabeth, maar hield het geheim om uw gezin niet te verstoren en omdat Elisabeth inmiddels een eigen leven leidde. Echter... uw dochter Karin kwam achter deze zoektocht."
– "Waarom deed Karin wat ze deed?" vroeg Sanne met trillende stem.
– "Geld en jaloezie," antwoordde de rechercheur bitter. "Karin ontdekte dat opa Van der Berg een geheim fonds had ingesteld voor Elisabeth. Een aanzienlijk vermogen. Karin voelde zich achtergesteld. Toen Elisabeth negentien jaar geleden in het ziekenhuis lag na Sannes geboorte, werkte Karin samen met Dirk De Wit – de neef van Elisabeths adoptievader die eveneens uit was op het geld."
– "Ze hebben Elisabeth gedood..." fluisterde ik.
– "Ja," bevestigde De Jong. "Ze hebben de medische apparatuur zo gemanipuleerd dat het leek op een hartstilstand door complicaties van de bevalling. Daarna heeft Karin de pasgeboren baby – jou, Sanne – meegekregen door zich voor te doen als de biologische tante die de voogdij op zich nam. Ze hebben alle papieren vervalst."
Ik sloeg mijn handen voor mijn gezicht. Mijn eigen dochter was een moordenaar. Mijn hele gezinsleven was gebouwd op de as van een verschrikkelijk misdrijf.
– "Er is echter één ding dat we nog niet begrijpen," zei Rechercheur De Jong, terwijl hij Sanne strak aankeek. "Sanne... je zei gisteravond tegen je opa dat jij de baby was op de foto uit 1968. Maar dat kan biologisch niet. Jij bent het kind van Elisabeth, geboren in 2007."
Sanne keek naar het verbrande dagboek dat op de tafel lag.
– "Dat zei ik omdat ik het niet begreep toen ik de foto vond," fluisterde ze. "Maar op de laatste pagina van het dagboek... staat nog een briefje dat oma Anna schreef vlak voor haar dood."
Sanne sloeg het dagboek open en haalde er een opgevouwen, vergeeld vel papier uit.
– "Oma schreef dit toen ze al erg ziek was," zei Sanne. "Ze wist dat ze niet lang meer te leven had."
Ik boog me voorover om het briefje te lezen. De letters waren wankel en trillend geschreven:
Mijn liefste Sanne. Als je dit leest, ben ik er niet meer. De foto uit 1968 toont jou niet... maar het toont het gezicht dat exact hetzelfde is als het jouwe. Jouw moeder Elisabeth was mijn spiegelbeeld. En jij bent haar spiegelbeeld. Maar er is nog iets dat niemand weet... Elisabeth was niet de enige baby die ik die nacht in 1968 baarde.
Ik hield mijn adem in. Mijn oogspieren spanden zich aan terwijl ik de volgende regel las.
Het was een tweeling...






