– "Rook! Opa, er is vuur!" schreeuwde Sanne.
De verstikkende, zwarte rook drong in ijltempo de gang binnen. Mijn longen brandden zodra ik de lucht inademde. De verwarring over het dagboek en de schokkende onthullingen moesten op slag plaatsmaken voor het naakte overlevingsinstinct. Ik greep Sanne bij haar pols en trok haar overeind.
– "Naar buiten! Nu!" roep ik, terwijl ik de zware voordeur weer van de nachtschoot haalde.
We stormden de frisse, koele nachtlucht in. Pas toen we op het vochtige gras van het gazon stonden en ik achteromkeek, zag ik de omvang van de ramp. Oranje en gele vuurtongen sloegen uit het raam van de bijkeuken aan de achterzijde van het huis. Het vreet zich razendsnel een weg naar boven, richting de zolder waar ik decennia aan oude administratie, fotoalbums en de persoonlijke spullen van Anna had bewaard.
– "Mijn huis..." fluisterde ik, mijn stem brekend. Dit was het huis waar ik vijfenveertig jaar met Anna had gewoond. Elke plank, elke steen ademde haar aanwezigheid.
Sanne klemde de leren koffer en het verbrande dagboek stevig tegen haar borst.
– "Het was die man, opa!" riep ze, trillend over haar hele lichaam. "Hij is achterom gelopen toen hij zag dat je de voordeur niet opendeed! Hij wil het dagboek vernietigen!"
Binnen enkele minuten klonken de loeiende sirenes van de brandweer in de verte. Buurtbewoners kwamen in hun pyjama's de straat op gelopen, hun gezichten verlicht door het flikkerende schijnsel van de vlammen. Ik stond daar, een oude man in zijn nachtkleding, kijkend hoe het verleden in as opging.
Tegen de tijd dat de brandweerlieden het vuur onder controle hadden, was het oostelijke deel van het huis volledig verwoest. De bevelvoerder van de brandweer, een gespierde man met een door roet besmeurd gezicht, kwam naar me toe gelopen.
– "Meneer Van der Meer," zei hij ernstig, "dit was geen ongeluk. We hebben de resten van een brandstichtingsmiddel gevonden bij het achterraam. Iemand heeft een molotovcocktail naar binnen gegooid. We moeten de politie inschakelen."
Ik knikte mechanisch, maar mijn gedachten waren elders. Ik keek naar Sanne, die op een bankje in de tuin zat, ingewikkeld in een deken die de buren haar hadden gegeven. In haar ogen zag ik niet alleen de schrik van de brand, maar de diepe, zwarte put van een familiemysterie dat steeds gevaarlijker werd.
De politie kwam en nam onze verklaringen op. Ik vertelde hen over de zwarte auto en de man die aan de deur had geklopt, maar ik zweeg over het dagboek en de foto uit 1968. Een diep, onverklaarbaar instinct waarschuwde me dat als de politie zich met de inhoud van dat dagboek ging bemoeien, de waarheid over Anna voor altijd verloren zou gaan in juridische procedures.
Rond vier uur 's ochtends liet de brandweer ons toe om de niet-beschadigde delen van het huis te betreden om de belangrijkste spullen op te halen. Het huis stonk naar verbrand hout, natte roet en gesmolten plastic. Het woongedeelte aan de voorkant was gespaard gebleven, al lag er een dikke laag stof en roet over de meubels.
Ik nam Sanne mee naar de studeerkamer – een van de weinige ruimtes die gespaard waren gebleven. Ik sloot de deur en zette een kleine bureaulamp aan.
– "Laat me dat dagboek zien, Sanne," zei ik. Mijn stem was niet langer die van een schokkerige oude man, maar van iemand die bereid was tot het uiterste te gaan om de waarheid over zijn leven te achterhalen.
Sanne legde het geheimzinnige boek op het eikenhouten bureau. De kaft voelde ruw en verbrand aan. Ik sloeg de eerste pagina om.
Daar, in het overduidelijke handschrift van mijn geliefde Anna, stonden de woorden die mijn hele bestaan op zijn kop zette:
18 mei 1968. Ze hebben mijn baby afgepakt. Ze zeggen dat ze dood is geboren, maar ik heb haar horen huilen. Ik heb haar gezichtje gezien. Mijn kleine Elisabeth leeft. Mijn vader en de dokter hebben gelogen. Ze hebben haar verkocht aan de familie De Wit om hun schandaal te bedekken. Als iemand dit ooit leest... weet dan dat ik nooit gestopt ben met zoeken.
Mijn adem stokte. Anna's vader – mijn voormalige schoonvader – was een machtige, invloedrijke politicus in de jaren zestig geweest. Een man die ik altijd had gevreesd vanwege zijn kille, harde houding.
– "Elisabeth... is het kind uit 1968," stamelde ik. "Anna heeft voor onze ontmoeting een kind gekregen dat van haar werd afgenomen..."
– "Ja, opa," fluisterde Sanne. "Elisabeth De Wit. Dat was haar geadopteerde naam. En negentien jaar geleden beviel Elisabeth van een dochter... van mij. Maar Elisabeth overleed tijdens de bevalling."
Ik keek Sanne aan, de puzzelstukjes die langzaam in elkaar begonnen te vallen, maar de schok was niet minder groot.
– "Als Elisabeth jouw biologische moeder was... hoe ben jij dan bij Karin terechtgekomen? Hoe werd jij de dochter van mijn dochter?"
Sanne keek me strak aan.
– "Omdat mama – jouw dochter Karin – Elisabeth heeft vermoord in het ziekenhuis. En ze heeft mij meegenomen om te voorkomen dat oma Anna erachter zou komen wat ze had gedaan."
Voordat ik de kolossale impact van die beschuldiging kon verwerken, hoorde ik het knarsen van grind op de oprit. Een auto stopte. Niet met brullende motor, maar heel langzaam, bijna geruisloos.
Ik liep naar het raam en keek door de lamellen. Een gestalte stapte uit. Het was niet de dreigende man van eerder.
It was Karin. Ze liep alleen naar het afgebrande huis, met in haar hand een glanzend, metalen voorwerp dat blonk in het maanlicht...






