Mijn adem stokte in mijn keel. Ronald leefde. Hij had de ijskoude stroming van de Rotterdamse haven overleefd, was de politie ontvlucht en had ons op de een of andere manier weten te traceren tot diep in de bossen van de Veluwe.
Hij droeg geen jas meer; zijn kleren waren nat en bedekt met modder. Maar wat me het meeste angst aanjoeg, was de uitdrukking op zijn gezicht. Het was niet langer de blik van een berekenende bedrieger, maar die van een bezeten man die niets meer te verliezen had.
Ik sprong weg bij het raam en rende de gang op. "Politie! Hij is hier!" schreeuwde ik zo hard ik kon.
Meteen ging het alarm in het safehouse af. Een harde, doordringende sirene vulde het pand met rood knipperend licht.
Agent Mulder, die beneden in de hal de wacht hield, trok zijn pistool en rende naar de achterdeur. "Lucas, blijf boven! Sluit de kamer van je broertje!"
Ik stormde de kamer van Thomas binnen. Hij zat rechtop in bed, zijn handen over zijn oren geklemd door het lawaai van de sirene. "Lucas! Wat is dat?"
"Blijf onder de deken, Thomas! Niet bewegen!" roep ik, terwijl ik de zware eikenhouten kledingkast voor de deur van zijn kamer probeerde te schuiven. Mevrouw Dubois kwam ook de kamer binnen rennen, doorgeschrikt.
"Is hij het?" fluisterde ze met een trillende stem.
"Ja," zei ik. "Hij staat in de tuin."
Beneden klonk een luide knal, gevolgd door het geluid van brekend glas. Ronald had de glazen schuifpui ingeslagen met een zware kei.
"Halt! Politie!" brulde agent Mulder beneden.
Er klonk een dof gevecht. Geluiden van vallend meubilair en een luide kreet van pijn. Daarna werd het ijzingwekkend stil... afgezien van de loeiende sirene.
Ik wist dat agent Mulder alleen was. De tweede agent was net twintig minuten daarvoor weggereden voor een wissel van de wacht. De versterking zou er pas over een kwartier kunnen zijn. Vijftien minuten waren een eeuwigheid.
"Mevrouw Dubois, sluit de deur van binnen af," zei ik resoluut.
"Wat ga jij doen?" vroeg ze paniekerig.
"Ik laat hem niet tot hier komen," antwoordde ik.
Ik pakte de zware koperen kandelaar die op het nachtkastje stond en stapte de gang op.
De rode noodverlichting wierp lange, spookachtige schaduwen op de muur. Ik sloop langzaam naar de balustrade van de trap en keek naar beneden.
Agent Mulder lag bewegingsloos onderaan de trap, zijn hoofd bloedend. Ronald stond over hem heen gebogen en pakte het dienstwapen uit de holster van de agent!
Mijn maag draaide om. Ronald had nu een vuurwapen.
Hij keek langzaam omhoog. Zijn ogen ontmoetten de mijne in het rode licht. Een gruwelijke, vervormde glimlach verscheen op zijn gezicht.
"Dag Lucas," zei hij met een hese, schorre stem, aangetast door het zoute water van de haven. "Denk je echt dat je me zomaar kunt wissen?"
"Het is voorbij, Ronald," zei ik, geprobeerd mijn stem niet te laten trillen. "De politie is onderweg. Je hebt nog hooguit tien minuten."
"Tien minuten is meer dan genoeg," zei hij, terwijl hij de trap op stapte. Zware, natte voetslagen op de houten treden. "Jij hebt mijn leven verwoest. Je hebt me alles afgenomen. Mijn geld, mijn aanzien, mijn vrijheid. Ik ga niet alleen naar de gevangenis, Lucas. Jij gaat mee... naar het graf."
Ik veerde achteruit. Ik wist dat ik hem op de smalle trap niet kon tegenhouden met alleen een kandelaar. Ik moest een manier vinden om hem af te leiden tot de politie er was.
Ik rende terug naar de overloop en greep de oude, beschadigde broodtrommel die ik op het kastje in de gang had gezet.
Ronald kwam de bovenste trede op. Hij richtte het pistool recht op mijn borst.
"Geen vluchtwegen meer," fluisterde hij.
Ik keek hem recht in de ogen aan. "Je bent een lafbek, Ronald. Je hebt mijn vader in zijn slaap vergiftigd omdat je te bang was om hem in de ogen te kijken."
Zijn hand trilde om de kolf van het pistool. "Hij wilde me kapotmaken!"
"Nee," schreeuwde ik. "Hij beschermde zijn kinderen! En dat doe ik nu ook!"
Met al mijn kracht smeet ik de zware broodtrommel recht in zijn gezicht.
Ronald dook instinctief weg, waardoor het schot dat hij loste afketste tegen het plafond. Gipsstof dwarrelde naar beneden.
De broodtrommel raakte zijn arm met volle laag, waardoor het pistool uit zijn hand vloog en over de balustrade naar beneden viel, recht op de begane grond.
"Kleine rat!" brulde Ronald.
Hij vloog me aan. We vielen samen op de grond van de overloop. Zijn natte, koude handen klemden zich om mijn keel. Hij was lichter geworden, maar zijn waanzin gaf hem gigantische kracht.
Ik sloeg en trapte wild om me heen. Mijn vingers zochten naar zijn ogen, zijn gezicht, alles om hem van me af te krijgen. Ik voelde het bewustzijn langzaam wegzakken doordat de luchtstroom werd afgesneden.
Denk aan Thomas. Denk aan papa.
Met een laatste krachtuitbarsting bracht ik mijn knie met volle macht omhoog, recht tussen zijn benen.
Ronald slaakte een rauwe kreet en kromp ineen.
Ik rolde onder hem vandaan, snakkend naar adem, en krabbelde overeind.
Op dat moment klonk buiten het donderende geluid van een helikopter. Felle zoeklichten schenen door de ramen van het safehouse en verlichtten de gang met een fel, wit licht.
"DIT IS DE POLITIE! HET PAND IS OMSINGELD! LEG JE HANDEN OP JE RUG!" schalde een stem uit een luidsprreker boven het huis.
Ronald lag op zijn knieën, verblind door het felle licht. Hij keek naar zijn handen, daarna naar mij.
De achterdeur werd ingetrapt door een zwaarbewapend arrestatieteam. Binnen enkele seconden stormden vijf agenten met kogelvrije vesten de trap op.
"GEEN BEWEGING!"
Ronald deed geen poging meer om te vechten. Hij liet zich voorover op de grond vallen, zijn gezicht tegen de houten vloer gedrukt.
De agenten doken op hem en binden zijn handen strak op zijn rug met tiewraps.
Rechercheur Visser kwam de trap op gestormd, zijn wapen in de hand. Hij zag mij tegen de muur zitten, snakkend naar adem.
"Lucas!" Visser knielde bij me neer. "Gaat het?"
Ik knikte langzaam, mijn hand op mijn keel. "Hij... hij is gepakt."
Visser keek naar Ronald, die door twee agenten overeind werd gesleept. Ronalds gezicht was leeg. De waanzin was verdwenen, vervang door het besef van totale ondergang.
Terwijl ze hem afvoerden, keek hij nog één keer om naar de kapotgeslagen broodtrommel die op de vloer lag.
"Het is definitief voorbij, Ronald," zei Visser ijskoud. "Je gaat heel lang achter de tralies."






