De klap trof Ronald vlak op zijn slaap. Hij slaakte een pijnlijke kreet en verloor zijn evenwicht, waardoor hij op zijn zij van me af rolde. Ik snakte naar adem, mijn longen brandden van de kille lucht terwijl ik wankelend overeind krabbelde.
Ik keek niet om. Ik greep de broodtrommel en het gele dossier dat tijdens de worsteling uit de handen van de andere man op de grond was gevallen – hij had het blijkbaar meegenomen toen hij het kantoortje verliet.
"Grijp hem, idioot!" schreeuwde Vancamp vanaf het entresol.
Ronald kwam alweer overeind, zijn wang bloedend waar de scherpe rand van de trommel hem geraakt had. "Je komt hier niet levend weg, Lucas!"
Ik rende wat mijn benen me waard waren richting de voorzijde van het koelhuis. De hoofduitgang was afgesloten met een zware ketting, maar daarnaast bevond zich een kleiner kantoor met een raam dat uitkeek op de kade.
Ik pakte een zware houten stoel en smeet die met al mijn kracht door het raam. Het glas geratelde in duizenden scherven op de asfalten buitenplaats.
Achter me hoorde ik de snelle, zware stappen van Ronald. Hij was woedend, voortgedreven door de paniek van een man die weet dat hij alles gaat verliezen.
Ik sprong door het gebroken raampje naar buiten. De scherpe glasranden sneden door de stof van mijn spijkerbroek en maakten een diepe snee in mijn onderbeen, maar de adrealine verdoofde de pijn. Ik kwam op mijn knieën terecht op het natte asfalt en krabbelde meteen weer overeind.
De regen was inmiddels losgebarsten. Een striemende, koude wolkbreuk die het zicht op de haven tot een minimum beperkte.
"Lucas!" brulde Ronald, die nu ook door het venster klimde.
Ik rende richting de kade, waar het zwarte water van de havenbekken wilde golven sloeg tegen de houten kade-elementen. Er was geen weg terug. De landtong liep dood bij het koelhuis. Aan drie kanten was er alleen water.
Ik draaide me om. Ronald stond tussen mij en de weg naar de vrijheid. Zijn kleren waren doorweekt, zijn haren plakten aan zijn voorhoofd en zijn gezicht was vertrokken van haat.
"Geef me die mappen," eiste hij, terwijl hij langzaam stappen naar voren zette. "Het is voorbij. Je hebt nergens meer om naartoe te rennen."
Ik klemde het gele dossier tegen mijn borst. "Ik weet wat je gedaan hebt, Ronald. Ik heb je gehoord! Je hebt mijn vader vergiftigd!"
Een koude, cynische glimlach verscheen op zijn lippen. "En wie gaat je geloven? Een tiener die geobsedeerd is door complotten? Er is nooit sectie verricht op zijn lichaam. Hij is gecremeerd, Lucas. De as bewijst niks meer!"
Mijn hart kromp ineen. Gecremeerd... Ronald had ervoor gezorgd dat het lichaam van mijn vader zo snel mogelijk gecremeerd werd. Hij had alle sporen gewist.
"Maar de documenten wel," zei ik, wijzend naar het pak papier in mijn armen. "De valse handtekeningen. De overschrijvingen naar Vanguard Assets. En de opname waarin je toegeeft dat je de volmacht wou vernietigen. Fischer heeft het al. De politie is onderweg!"
Op dat exacte moment klonk in de verte het huilende geluid van sirenes. BLAUW en rood licht reflecteerde op de lage bewolking boven het industriegebied.
Ronalds ogen spraken boekdelen. De paniek sloeg definitief toe. "Nee... nee!"
Hij deed een uitval naar voren en greep naar de map. Ik ontweek hem, maar mijn voet gleed uit op de gladde, natte houten planken van de kade.
Ik verloor mijn evenwicht en viel achterover.
Met een luide plons verdween ik in het ijskoude water van de haven.
De shock van het ijskoude water benam me instantly al mijn adem. De zwaartekracht en het gewicht van mijn natte kleren trokken me naar beneden in de zwarte diepte. Het water was troebel en bitterzout.
Ik spant al mijn spieren aan om weer naar de oppervlakte te trappen. Het gele dossier! Ik hield het nog steeds krampachtig vast, maar het papier werd binnen enkele seconden loodzwaar en doordrenkt.
Ik kwam proestend boven water. De wind snijdend koud op mijn gezicht.
Boven aan de kade rand stond Ronald. Hij keek neer op mij. Boven hem verschenen de felle koplampen van drie politieauto's die met gillende banden het terrein op scheurden.
"Daar! Op de kade!" schreeuwde de stem van rechercheur Visser door een megfoon. "Handen omhoog! Politie!"
Ronald keek om zich heen. Hij was omsingeld. Agenten met getrokken wapens sprongen uit de voertuigen.
In plaats van op te geven, keek Ronald nog één keer naar mij in het water. "Als ik ga, neem ik je geheim mee!" schreeuwde hij, en hij sprong ook de kade af, recht op mij af!
Het water spatte hoog op. De stroomversnelling van zijn val duwde me onder. Ik voelde zijn handen onder water naar mijn nek zoeken. Hij wilde me meesleuren naar de bodem.
Ik worstelde wild. Onder water zag ik de wazige contouren van zijn gezicht. Hij was uitzinnig.
Ik gebruikte al mijn kracht om mijn knie op te trekken en hem met volle macht van me af te duwen. Hij liet los.
Ik kwam weer boven water, snakkend naar zuurstof.
"Houd vol, Lucas!" riep Visser vanaf de kant. Een reddingsboei werd in het water gegooid, vlak naast me.
Ik greep de boei vast. Twee agenten begonnen me met man en macht naar de stalen trap aan de zijkant van de kade te trekken.
Toen ik achteromkeek, zag ik Ronald worstelen met de sterke onderstroom van het havenbekken. Hij kon niet goed zwemmen. Zijn zware winterjas trok hem onherroepelijk naar beneden.
"Help me!" schreeuwde Ronald, zijn stem doordrenkt met pure doodsangst. "Lucas! Help me!"
Ik stond op de stalen trap, kletsnat, rillend van de kou, met het doordrenkte dossier onder mijn arm.
Ik keek naar de man die mijn vader had vermoord, die mijn broertje had bedreigd en mijn jeugd had veranderd in een hel.
Een agent gooide een tweede reddingsboei naar Ronald, maar de stroom trok hem onder een afgemeerd binnenvaartschip.
Zijn hand kwam nog één keer boven het zwarte water uit... en verdween toen in de diepte.






