Ik hield mijn adem in, mijn rug strak gedrukt tegen het vochtige hout van de pallets. Het scherpe splinterhout prikte door mijn jas, maar ik durfde geen millimeter te bewegen. Ronald keek gejaagd om zich heen. Zijn gezicht zag er ingevallen uit, met donkere wallen onder zijn ogen. De tirannieke uitstraling die hij thuis altijd ophing, was verdwenen; hij zag er uit als een opgejaagd dier dat wist dat de vallen om hem heen slopten.
Hij sloeg de zware metalen deur van het koelhuis achter zich dicht. Het doffe geluid van de klink die in het slot viel, galmde over de kade.
Ik wachtte twee minuten. De wind huilde tussen de scheepscontainers door en maakte een ijswekkend, fluitend geluid. Dit was mijn kans. Ik moest weten wat er in die stalen kist zat, en ik moest de originele papieren van het huis van mijn vader vinden.
Voorzichtig kwam ik overeind en sloop naar de zijkant van het gebouw. Loodskade 45 was een verouderd bakstenen pand met hoge, smalle ramen waarvan de meeste ruiten waren ingeslagen of dichtgetimmerd met multiplex. Aan de achterzijde vond ik een oud toevoerkanaal van het ventilatiesysteem. Het rooster hing half los, verroest door de zoute zeelucht.
Met een luide krak boog ik het metaal verder omhoog. Het gat was nauw, net groot genoeg voor iemand met mijn slanke postuur. Ik wurmde me erdoorheen, liet me zakken en belandde met een zachte plof op een hoop verrot isolatiemateriaal.
Het was bitterkoud binnen. Mijn adem wolkte op in de duisternis. De geur van schimmel, verroest ijzer en oude chemicaliën drong mijn neus binnen. Ik haalde mijn zaklamp tevoorschijn, maar durfde hem niet aan te zetten. Ik vertrouwde op het flauwe licht dat door de kieren van de houten dakconstructie naar binnen viel.
Boven mij hoorde ik stemmen.
"Je bent te laat, Ronald!" grauwde een harde stem. "De recherche stelt al vragen bij het notariskantoor. Vancamp heeft zijn spullen gepakt en is naar Spanje gevlogen. Je bent alleen."
Ik klom voorzichtig op een metalen trappengat dat naar een entresol leidde. Vanaf daar had ik zicht op een kantoortje met glazen wanden dat zweefde boven de grote, lege opslaghal.
In het kantoor stond Ronald tegenover een brede man in een duur maatpak. Het moest Richard Vancamp zijn – of iemand van het syndicaat.
Ronald zette de stalen kist met een harde klap op het bureau. "Ik heb het geld hier! Alles wat ik uit de verkoop van de woning kon halen. Vijfhonderdduizend euro. Neem het en zorg dat ik de stad uit kom!"
De man in het pak lachte koud. Hij opende de kist, liet zijn vingers door de stapels bankbiljetten glijden en schudde toen meedogenloos zijn hoofd. "Dit is niet genoeg, Ronald. De rente op je gokschulden is verdubbeld sinds je die tiener de kans hebt gegeven om bewijs te verzamelen. Je bent een knoeier."
"Ik heb die jongen onder controle!" schreeuwde Ronald wanhopig. "Hij is gevlucht met zijn broertje, ze durven niks te doen!"
"Is dat zo?" zei de man, terwijl hij een vel papier uit een lederen map pakte. "Waarom heeft zijn advocaat dan vanmiddag een gerechtelijk beslag laten leggen op de rekeningen van Vanguard Assets? Het geld op deze bankrekening is bevroren! We kunnen er niet bij."
Ronalds gezicht werd spierwit. "Dat... dat kan niet. Lucas heeft de code van mijn telefoon niet gegeven..."
"Die jongen had alles al geüpload naar een Cloud-server, idioot!" brulde de man. "Hij was je drie stappen voor. En nu zit de politie op ons spoor."
Mijn hart sprong op van vreugde, maar tegelijkertijd voelde ik een golf van angst. Fischer had doorgezet. De val klapte dicht, maar ik zat er middenin.
"Wat ga je doen met de originele documenten?" vroeg Ronald trillend, wijzend naar een openstaande brandkast in de hoek van het kantoor.
"Ik ga ze verbranden," zei de man ijskoud. "En jij gaat mee. We stappen op de boot die over een uur vertrekt vanuit de Petroleumhaven. Als de politie hier invalt, vinden ze alleen as."
Hij pakte een dikke, gele envelop uit de brandkast. Op de voorkant zag ik in grote, zwarte letters de naam van mijn vader staan: Dossier H. de Jong – Eigendomsoverdracht.
Dat waren ze. De echte documenten. Het bewijs dat mijn vaders handtekening was vervalst, dat het huis aan mij en Thomas toebehoorde, en misschien wel het bewijs van wat er echt was gebeurd op de nacht dat mijn vader stierf.
De man pakte een aansteker uit zijn zak. Hij flipte het metalen kapje open. Een klein, geel vlammetje verlichtte zijn strakke gelaatstrekken.
"Nee!" schreeuwde ik, voordat ik mezelf kon tegenhouden.
Mijn stem galmde door de enorme, lege opslagruimte.
Beide mannen verstijfden. Ronald draaide zich langzaam om naar de glazen wand en keek naar beneden, naar de duisternis waar mijn stem vandaan kwam.
"Lucas?" fluisterde Ronald, zijn ogen wijd van ongeloof. Daarna veranderde zijn gezicht in een masker van pure woede. "Hij is hier! De jongen is hier!"
"Grijp hem!" brulde de man in het pak. "Laat hem het pand niet levend veraten!"
Ik bedacht me geen seconde. Ik draaide me om en rende de stalen trap af. Mijn voetslagen klonken als donderslagen op het metaal. Achter mij hoorde ik de zware stappen van twee mannen die de trap af stormden.
Ik rende richting de achteruitgang waar ik binnen gekomen was, maar het ventilatiekanaal was te hoog om snel in te klimmen zonder ladder. Ik zat gevangen.
Ik keek wild om me heen. Zware houten kisten, oude heftrucks en stapels stalen tonnen vulden de hal. Ik dook achter een rij olievaten net op het moment dat het felgele licht van een grote halogeenlamp de ruimte verlichtte.
"Lucas!" brulde Ronald. Zijn stem klonk vals, doordrenkt met minachting. "Je bent net zo dom als je vader! Die dacht ook dat hij me kon stoppen. Die dacht ook dat hij de politie kon bellen toen hij erachter kwam wat ik van hem strak!"
Ik verstijfde achter de olievaten. Toen hij erachter kwam wat ik van hem stak...
"Wat heb je met hem gedaan, Ronald?" schreeuwde ik terug. Mijn stem echoed tegen het hoge plafond. Ik wilde dat hij het toegaf. Ik wilde de waarheid horen.
"Hij wilde het huis niet verkopen!" lachte Ronald grimmig, terwijl ik zijn stappen dichterbij hoorde komen. "Hij dacht dat hij een held was. Maar een klein beetje van het spul uit de voorraadkast in zijn avondthee... en zijn 'zwakke hart' deed de rest. Niemand twijfelde eraan. De dokter niet, de schouwart niet. En jij al helemaal niet!"
Een schok van afschuw en woede golfde door mijn lichaam. Mijn vader was niet gestorven aan een natuurlijke hartaanval. Ronald had hem vergiftigd. Hij had onze vader vermoord voor geld.
"Je bent een monster," fluisterde ik.
"Ik ben een overlever!" schreeuwde Ronald, en plotseling dook zijn gezicht op boven de olievaten. Hij greep me bij mijn schouder en trok me met brute kracht over de tonnen heen op de harde betonvloer.
De impact sloeg al de lucht uit mijn longen. Mijn zaklamp rolde weg over de vloer.
Ronald knielde op mijn borst, zijn hand om mijn keel geklemd. Zijn ogen stonden waanzinnig. "Je had gewoon je mond moeten houden, Lucas. Je had die broodtrommel op school moeten laten!"
Ik voelde dat ik geen adem meer kreeg. De wereld om me heen begon zwart te worden. Mijn hand tastte wild over de vloer op zoek naar iets, eender wat.
Mijn vingers raakten de harde, plastic rand van mijn broodtrommel, die uit mijn rugzak was gevallen.
Met al mijn laatste krachten tilde ik de zware, hardplastic trommel op en sloeg hem vol overgave tegen de zijkant van Ronalds gezicht.






