Het advocatenkantoor Fischer & De Jong liep storm. Vijf jaar waren verstreken sinds ik mijn studie had afgerond. Ik was nu achtentwintig, een gevestigde strafrechtadvocaat die bekendstond om zijn niet-aflatende inzet voor slachtoffers van machtsmisbruik en financiële uitbuiting.
Thomas was inmiddels twintig en studeerde bedrijfskunde in Utrecht. Hij was een volwassen, zelfverzekerde jonge man geworden die de herinneringen aan zijn traumatische jeugd een plek had kunnen geven.
Ons ouderlijk huis stond er mooier bij dan ooit. Het was onze veilige haven gebleven.
Op een stormachtige dinsdagmiddag in november zat ik op mijn kantoor in het centrum van Arnhem dossiers door te nemen. Mijn secretaresse klopte op de deur en kwam binnen met een ernstig gezicht.
"Mr. De Jong... er is een brief voor u binnengekomen. Per aangetekende post uit het Penitentiair Psychiatrisch Centrum in Den Haag."
Mijn hart sloeg een slag over. Den Haag... dat was de inrichting waar Ronald twee jaar geleden naartoe was overgeplaatst nadat zijn fysieke en mentale gezondheid in de gevangenis van Vught drastisch achteruit was gegaan.
Ik nam de brief aan. Het logo van het Ministerie van Justitie blonk op de envelop.
Met een papiermesje opende ik de brief.
'Geachte Mr. De Jong,
Middels deze brief stellen wij u op de hoogte van het overlijden van gedetineerde Ronald M., geboren op 12 maart 1971.
Gedetineerde is op 14 november om 04:15 uur overleden aan de gevolgen van een langdurige fysieke aftakeling en orgaanfalen. Er is geen sprake van een misdrijf.
In overeenstemming met zijn laatste wilsbeschikking laten wij u weten dat hij een persoonlijk object aan u heeft nagelaten. U kunt dit object ophalen bij de administratie van de inrichting, of toestemming geven voor vernietiging.
Hoogachtend,
Dr. A. Barends,
Geneesheer-directeur PPC Den Haag.'
Ronald was dood.
Ik staarde naar het papier. De man die mijn vader had vermoord, die mijn jeugd tot een hel had gemaakt en die ons jarenlang had vervolgd, leefde niet meer.
Er kwam geen golf van vreugde over me heen. Geen triomf. Alleen een diepe, golvende stilte. Het laatste hoofdstuk van de man die ons zo lang had geterroriseerd, was definitief afgesloten.
"Mr. De Jong? Gaat het?" vroeg mijn secretaresse bezorgd.
"Ja," zei ik zacht. "Het gaat goed. Wilt u meneer Fischer even vragen bij mij te komen?"
Tien minuten later zat Fischer tegenover me. Hij las de brief en zuchtte diep.
"Het is voorbij, Lucas. De allerlaatste draad is doorgesneden."
"Wat zou het object zijn dat hij heeft nagelaten?" vroeg ik doordacht.
"Waarschijnlijk een laatste wrede poging om je mentaal te raken," zei Fischer waarschuwend. "Je hoeft er niet naartoe, Lucas. Laat de inrichting het vernietigen."
Ik dacht na. Ik was geen bang kind meer dat wegduok in de keuken. Ik was een man die de waarheid onder ogen durfde te zien.
"Nee," zei ik. "Ik ga het ophalen. Ik wil zien wat hij me te zeggen had."
De volgende ochtend reed ik naar het streng beveiligde complex in Den Haag. De regen sloeg tegen de voorruit, precies zoals op de nacht in de haven van Rotterdam.
Aangekomen bij de administratie van het PPC werd ik ontvangen door dr. Barends. Een oudere man met een vriendelijke uitstraling.
"Mr. De Jong," zei de dokter, terwijl hij me een stoel aanbood. "Ronald heeft de laatste maanden van zijn leven in bijna volledige isolatie doorgebracht. Hij sprak met niemand. Maar de nacht voordat hij overleed, was hij opmerkelijk helder."
"Wat zei hij?" vroeg ik.
"Hij zei dat hij te laat begreep wat uw vader altijd al wist," antwoordde de dokter. "Hij zei dat geld vervliegt, maar dat de schuld blijft hangen. En hij heeft dit voor u achtergelaten."
De dokter pakte een klein, doosje van de kast en schoof het over het bureau.
Ik opende de doos.
Erin lag een simpel, roestvrijstalen horloge. Het horloge dat mijn vader droeg op de dag dat hij overleed. Ronald had het destijds van zijn pols gestolen voordat de ambulance arriveerde!
In het horloge lag een klein opgevouwen briefje, geschreven met een trillende, amper leesbare hand:
'Lucas,
Ik dacht dat ik de meester was en jij de prooi. Pas in de stilte van deze cel begreep ik dat jij degene was die vrij was, en ik degene die gevangen zat in mijn eigen gierigheid.
Neem het horloge van je vader terug. Het hoort bij de broodtrommel.
R.'
Ik hield het horloge van mijn vader in mijn hand. Het metaal voelde koud aan, maar toen ik aan de opwindknop draaide, begon de secondewijzer weer te lopen.
Tik... tak... tik... tak...
Het was een erkenning van schuld. Een capitulatie die veertien jaar te laat kwam, maar die de cirkel definitief sloot.
Ik bedankte de dokter, stapte in mijn auto en reed terug naar huis.






