De stilte die volgde werd alleen onderbroken door het ronkende geluid van de motoren van de politieauto's en het striemen van de regen op het water.
Agenten trokken me de kade op en wikkelden me onmiddellijk in een dikke, zilveren warmtedeken. Mijn tanden klapperden zo hard dat ik nauwelijks kon praten. Rechercheur Visser kwam naar me toe gelopen. Zijn gezicht was ernstig.
"We hebben duikers opgeroepen," zei hij, terwijl hij een hand op mijn schouder legde. "Maar met deze stroming... is de kans klein dat hij het overleefd heeft."
Ik staarde naar het zwarte water. Ik voelde geen triomf. Geen vreugde. Alleen een diepe, lege uitputting.
"Het dossier..." fluisterde ik, en ik liet het doordrenkte pak papier aan Visser zien. Het papier was zacht geworden, de inkt op sommige plekken doorgelopen, maar de documenten waren nog steeds leesbaar.
Visser nam het voorzichtig aan alsof het van glas was gemaakt. "Je hebt moed getoond, Lucas. Maar je hebt enorme risico's genomen. Vancamp is binnen in het koelhuis gearresteerd. Hij heeft al bekend dat ze de kluis wilden leeghalen."
Binnen een half uur lag ik op een brancard achter in een ambulance, onderweg naar het ziekenhuis van Rotterdam om onderkoeling en de snee in mijn been te laten behandelen.
Mevrouw Dubois en meneer Fischer kwamen midden in de nacht naar het ziekenhuis. Toen mevrouw Dubois de kamer binnenkwam, vloog ze me om de hals.
"Je dwaze, dappere jongen," fluisterde ze met een brok in haar keel. "Doe me dat nooit meer aan."
Meneer Fischer bleef bij het voeteneind van het bed staan. Hij bekeek de zak met bewijsmateriaal die de politie had veiliggesteld.
"Lucas," zei Fischer, "het dossier dat je uit het water hebt gered bevat meer dan alleen de vervalste akte van het huis."
"Wat nog meer?" vroeg ik met een schorre stem.
"Er zit een afschrift in van een kluisverklaring bij een bank in Amsterdam," zei Fischer. "Op naam van je vader. Blijkbaar wisten Ronald en Vancamp dat je vader kort voor zijn overlijden een persoonlijke kluis had gehuurd. Ze hebben geprobeerd de sleutel te vinden, maar dat is hen nooit gelukt."
Ik dacht diep na. Een kluis? Mijn vader had daar nooit iets over gezegd.
"Waar zou hij die sleutel verstopt hebben?" vroeg ik mezelf hardop af.
Plotseling flitste er een herinnering door mijn hoofd. Een herinnering aan de dag dat mijn vader de keukeklok ophing, drie jaar geleden. Hij had gelachen en gezegd: 'Onthoud goed, Lucas. Tijd is het enige wat niemand van je kan stelen. Als je ooit echt in de problemen zit, kijk dan waar de tijd tikt.'
De keukeklok!
Die oude, houten wandklok die altijd in onze keuken had gehangen. De klok die tikte op het moment dat Ronald mijn telefoon onder de kraan hield. De klok die Ronald vreemd genoeg nooit had weggedaan, zelfs niet toen hij de rest van onze meubels verving!
"Meneer Fischer," zei ik, terwijl ik rechtop ga zitten ondanks de pijn in mijn been. "We moeten terug naar het huis."
"Het huis is afgezet door de politie, Lucas," zei Fischer. "Het is een delictlocatie geworden."
"Het maakt niet uit! De sleutel van die kluis zit in de keukeklok!"
De volgende ochtend, nadat de dokters me toestemming gaven om het ziekenhuis te verlaten, reden we samen met rechercheur Visser naar ons oude ouderlijk huis.
Het pand zag er verlaten uit. Politielint wapperde bij de voordeur. Het voelde vreemd om weer over de drempel te stappen van de plek waar ik een jaar lang in angst had geleefd.
We liepen de keuken binnen. De geur van verbrande toast was verdwenen, vervangen door de muffe lucht van een onbewoond huis.
Daar hing hij. De houten wandklok.
Tik... tak... tik... tak...
Hij liep nog steeds.
Rechercheur Visser haalde de klok voorzichtig van de muur en legde hem op de keukentafel. Ik boog me eroverheen. Aan de achterzijde van de houten behuizing zat een klein, verborgen compartiment achter het uurwerk.
Met een zakmes wipte Visser het houten klepje los.
Er viel iets op tafel.
Een kleine, koperen sleutel met een nummer erin gestanst: K-409. En een opgevouwen briefje, geschreven in het onmiskenbare, nette handschrift van mijn vader.
Mijn vingers trilden toen ik het briefje opende.
'Lieve Lucas en Thomas,
Als jullie dit lezen, is mijn angst werkelijkheid geworden. Ik heb ontdekt dat Ronald geld verduistert van mijn bedrijf en dat hij valse documenten heeft opgesteld. Ik vertrouw hem niet meer. Ik vrees voor mijn gezondheid.
In kluis K-409 bij de Amsterdamsche Bank bevindt zich de originele, enige echte wilsbeschikking. Daarin staat dat het huis en al mijn bezittingen onvoorwaardelijk naar jullie gaan onder het beheer van een onafhankelijke bewindvoerder.
Laat hem jullie niks afnemen. Wees sterk voor elkaar.
Liefs, Papa.'
Tranen brandden in mijn ogen. Het was de stem van mijn vader, die door de tijd heen tot mij sprak. Hij had het geweten. Hij had geprobeerd ons te beschermen, zelfs toen hij voelde dat het einde nabij was.
"Dit is de genadeslag voor de tegenpartij," zei meneer Fischer met een diepe zucht van verlichting. "Hiermee is de verkoop definitief nietig verklaard. Het huis is weer van jullie."
Maar terwijl we daar stonden, klonk er plotseling een hard geluid van de gang. Een deur die dichtsloeg.
Rechercheur Visser greep naar zijn dienstwapen. "Blijf hier!" fluisterde hij.
Hij stapte de gang op. Een seconde later klonk er een luide stem:
"Leg uw wapen neer, rechercheur! Geen beweging!"
Ik keek om de hoek van de keukendeur.
In de gang stond niet Ronald. Het was een man in een donker uniform van een particulier beveiligingsbedrijf – en naast hem stond niemand minder dan Richard Vancamp, die blijkbaar op borgtocht was vrijgelaten of ontsnapt!
"Denk je echt dat we het hierbij laten?" snauwde Vancamp. "Die sleutel is van mij!"






