De deur vliegt met een harde klap open en slaat tegen de muur. Daar staat Lucas, zijn jas doorweekt en opengebarsten, met een wilde, gevaarlijke blik in zijn ogen. Hij kijkt naar mij, dan naar zijn vader in het bed, en een giftige grijns verschijnt op zijn gezicht.
– "Zo, kleine rat," zegt hij met een snerpende stem. "Je dacht zeker dat je slim was door naar Zwolle te rijden en mijn vaders dagboek te stelen. Maar je vergeet één ding: dit eindigt hier."
Hij stapt resoluut de kamer in en sluit de deur achter zich, waarbij hij de klink omlaag drukt zodat we hermetisch zijn afgesloten van de rest van het ziekenhuis. Ik sta op van mijn stoel en schuif voor het bed van meneer Bakker, mijn vuisten gebald. Ik voel de adrenaline door mijn aderen stromen, maar ik laat me niet intimideren. Ik kijk hem recht in de ogen en zeg met een vaste stem:
– "Je vader weet de waarheid, Lucas. En de kluis gaat niet open voor jou. Alles wat je hebt geprobeerd te verbergen, komt vandaag nog naar buiten."
Lucas lacht honinhout, een kil geluid zonder enige warmte. Hij steekt zijn hand in de binnenzak van zijn jas en haalt daar een zwaar, metalen voorwerp te voorschijn – een sleutel, maar dan een moderne, digitale coderingssleutel die rechtstreeks past op de kluis bij de oude bank in het centrum van Amsterdam.
– "Denk je echt dat ik op jou heb gewacht?" roept hij uit. "Evelien heeft me even opgehouden, ja, maar ze kon me niet tegenhouden. Ik heb de coderingssleutel al lang bemachtigd. Het enige wat ik nog nodig had, was de handtekening van de oude man of de toestemming van de wettelijke erfgenaam. En aangezien jij niet wilt meewerken..."
Hij maakt een dreigende stap naar voren, maar op dat exact moment gaat de deur van de kamer met een nog hardere klap open. Niet door een mens, maar door Evelien, die samen met twee gealarmeerde beveiligers en een Amsterdamse politieagent de kamer binnenstormt. Het spel is definitief uit voor Lucas.






