De zware motor van de auto buiten stationeert met een indringend gebrom dat door de dunne muren van het oude huis trilt. Ik hoor het dichtslaan van een portier, gevolgd door zware, vastberaden stappen op het grind van de oprijlaan. Mijn gedachten racen in overdrive. Er is geen achteruitgang zichtbaar in deze kamer, en de voordeur is mijn enige optie om te ontsnappen, maar om daar te komen moet ik door de centrale gang waar ik net binnenkwam – precies de route waar de indringer naar binnen zal treden. Met klamme handen laat ik het dagboek dichtvallen, stop het snel in mijn rugzak samen met een handvol foto's als bewijsmateriaal, en ren op fluwelen zolen de studeerkamer uit. Ik verstop me achter een zware, verfrommelde velours gordijn in de hoek van de woonkamer, vlakbij de keuken. Mijn ademhaling probeer ik zo stil mogelijk te houden, hoewel het geluid van mijn eigen hartslag in mijn oren klinkt als een opstijgende helikopter. De voordeur van het pand kraakt open. Een koude windvlaag waait door de gang, vermengd met de geur van natte regenjas en sigarettenrook. Het is die geur – dezelfde doordringende rookgeur die ik die regenachtige middag in mijn eigen hal rook. Het is Lucas jr. Hij is me inderdaad achternagereisd, gedreven door een paranoïde angst dat ik de waarheid zou ontdekken die zijn familie al decennia angstvallig geheimhoudt. Ik hoor zijn stem door het lege huis galmen, koud en vol haat:
– "Ik weet dat je hier bent, Amsterdammer! Je kunt je niet verstoppen voor hetgeen je niet begrijpt!"
Zijn voetstappen komen dichterbij. Ze stampen ritmisch op het verrotte hout, eerst in de gang, dan in de studeerkamer waar ik net stond. Ik hoor het geritsel van papieren die op de grond vallen; hij merkt dat het dagboek weg is en zijn woede bereikt onmiddellijk een kookpunt. Een luid gekras van een stoel die omver wordt getrokken klinkt door het huis, gevolgd door een vloek die zo giftig is dat hij bijna tastbaar in de lucht hangt. Ik knijp mijn ogen stijf dicht en druk mezelf zo plat mogelijk tegen de muur achter het gordijn, biddend dat het zware fluweel dik genoeg is om mijn schaduw te verbergen. Maar dan hoor ik zijn stappen richting de woonkamer draaien. De voetstappen pauzeren vlak voor het gordijn. De stilte die dan volgt is verstikkend, zo dik dat je er doorheen kunt snijden. Ik voel de nabijheid van de gevaarlijke man, zijn zware ademhaling is door de stof heen te horen. Mijn hand zoekt in mijn jaszak naar iets om me mee te verdedigen, maar ik vind enkel de rits en een verloren muntstuk. Op dat moment hoor ik hem een lucifer aansteken. Het zwakke licht schijnt door de stof van het gordijn, en de angst verandert in pure overlevingsdrang. Als hij dit gordijn opzijschuift, is er geen ontkomen meer aan. Ik moet handelen, nu het nog kan, voordat hij mij vindt.






