Het verzorgingshuis ligt er stil en verlaten bij in de vroege avond. De automatische schuifdeuren openen zich met een zachte zoem wanneer ik naar binnen haast. De avondzuster achter de receptie kijkt me argwanend aan, maar door mijn vastberaden blik en het tonen van mijn legitimatie weet ik haar te overtuigen dat het om een noodgeval gaat. Ze wijst me de weg naar kamer 212 op de derde verdieping. Met trillende knieën loop ik de gang door en klop zachtjes op de houten deur. Omdat er geen antwoord komt, duw ik de deur langzaam open. Daar ligt meneer Bakker, klein en kwetsbaar in een hoog bed, met ingevallen wangen en een zuurstofslangetje onder zijn neus. Zijn ogen zijn gesloten, maar zodra ik dichterbij kom, openen ze zich langzaam. Er flitst een sprankje herkenning door die troebele, blauwe ogen. Hij probeert iets te zeggen, maar zijn stem is niet meer dan een schor gefluister. Ik buig me diep over hem heen en leg mijn hand op zijn klamme, gerimpelde hand.
– "Ik ben in Zwolle geweest," fluister ik zacht. "Ik heb het dagboek gevonden. En ik weet van de kluis."
Een zwakke glimlach breekt door op het gezicht van de oude man. Hij knijpt heel licht in mijn vingers, alsof hij al al die tijd op dit moment heeft gewacht. Met moeite brengt hij zijn woorden uit:
– "De sleutel... die je kreeg... was niet het einde... het was het begin... Lucas wil de kluis... maar jij bent de enige... die hem kan openen..."
Voor ik kan doorvragen over waar die kluis zich precies bevindt, hoor ik plotseling harde voetstappen in de gang galmen. Zware stappen die geen goed voorspellen. Het zijn de stappen van iemand die haast heeft, iemand die de receptie heeft gepasseerd en op zoek is naar deze kamer. De kleur verdwijnt uit het gezicht van meneer Bakker; angst tekent zich af in zijn rimpels. Lucas is hier. Hij heeft de confrontatie met Evelien weten te ontvluchten en is ons achternagezeten om de klus af te maken.






