Op een zonnige vrijdagmiddag, maanden nadat de hele nachtmerrie tot een einde is gekomen, loop ik door onze Amsterdamse straat naar huis. De lucht is helder blauw, de vogels fluiten in de iepen langs de gracht, en de mensen groeten elkaar vriendelijk op de hoek van de straat. Als ik langs het pand loop waar meneer Bakker vroeger woonde, zie ik dat er nieuwe bewoners zijn ingetrokken. Een jong gezin met een vrolijke peuter die lachend achter een bal aan rent. Ik glimlach naar ze en steek mijn hand op. Het huis van meneer Bakker straalt nu een warme, uitnodigende energie uit, alsof de spoken uit het verleden definitief zijn verjaagd. Ik loop door naar mijn eigen voordeur, haal mijn sleutels te voorschijn en open het slot. Binnen is het stil, vertrouwd en veilig. Ik hang mijn jas op aan de kapstok en loop naar de salontafel in de woonkamer. Daar ligt niet langer de mysterieuze ijzeren sleutel, maar wel een kleine, ingelijste zwart-witfoto van meneer Bakker, die Evelien en ik hebben gekregen als dank voor onze inzet. Hij kijkt me aan met diezelfde scherpe, maar vriendelijke ogen, alsof hij vanaf daar wil zeggen dat alles nu goed is.

News Story





