Deel 7: Het Interventiebevel van de Rechter
De agenten waren snel ter plaatse, getriggerd door een automatische melding die de bankdirectie had uitgestuurd zodra er sprake bleek van een mogelijke intimidatie op openbare weg nabij de diplomatieke kluiszone. Een oudere brigadier met een norse blik en een dikke snor stapte op Ruud af, die nog steeds wanhopig probeerde zijn doorweekte mantel schoon te vegen.
"Mijnheer Van Houten, neem ik aan?" vroeg de brigadier met een ijzige toon. "Er is zojuist een tegenbevel ingediend door de Centrale Recherche en de rechtbank in Rotterdam. Uw spoedmaatregel is per direct ingetrokken wegens misbruik van procesrecht en poging tot intimidatie van een wettelijk aangewezen voogd."
Ruuds gezicht werd lijkbleek. De arrogantie die hem zijn hele leven had gedefinieerd, verdween als sneeuw voor de zon. Hij stammelde iets over zijn advocatenkantoor, over een misverstand en over zijn rechten als oudste zoon, maar de brigadier onderbrak hem resoluut. "Nog één woord, mijnheer, en we nemen u mee naar het bureau voor verhoor wegens openbare ordeverstoring."
Ik stond regendruipend maar triomfantelijk op de kade. Luna legde opnieuw haar kop tegen mijn knie, alsof ze wilde zeggen dat het gevaar voorlopig was geweken. Ik stapte in mijn Volvo, startte de motor en liet Ruud achter op de natte straat, achterlatend in een wolk van uitlaatgas en vernederende stilte.
Die avond reed ik niet meteen terug naar Utrecht. Ik besloot naar een oud hotel in de buurt van Haarlem te gaan, ver weg van de blikken van de familie en de journalisten die inmiddels lucht hadden gekregen van een "miljoenenconflict binnen een vooraanstaande juristenfamilie". In de warme, houten hotelkamer stak ik de lampen aan, legde Luna op een dik wollen kleed bij de verwarming en opende eindelijk de manila envelop op de kleine schrijftafel.
De documenten logen er niet om. Vader was in de jaren zeventig en tachtig niet zomaar een diplomaat geweest; hij was de hoofdonderhandelaar geweest bij een geheim fonds dat door de Nederlandse staat en Europese bondgenoten was opgericht om politieke vluchtelingen en hun families te beschermen tegen vervolging. Het geld op de Zwitserse rekening – ter waarde van vele miljoenen guldens, inmiddels omgezet in euro's – behoorde niet toe aan de familie, maar moest volgens vaders laatste wens worden overgedragen aan een stichting voor mensenrechten.
Ruud wist hiervan. Sterker nog, Ruud had jarenlang geprobeerd om via zijn louche contacten in het bedrijfsleven toegang te krijgen tot dat fonds om zijn eigen speculatieve projecten te financieren. Vader had dat doorgekregen, had Ruud onterfd van het echte familievermogen, en had het lot van de nalatenschap gelegd in handen van de enige die hij vertrouwde: mij, en als wettelijke bewaker van de sleutel, onze trouwe hond Luna.






