Deel 13: Vrede in het Landhuis
De weken veranderden in maanden en de winter maakte plaats voor de eerste teerdere tekenen van de lente. De sneeuwklokjes braken door de bevroren aarde in de voortuin van het landhuis, en de vogels begonnen hun ochtendlied te zingen in de kruinen van de oude eiken.
Met Ruud was het stil geworden. Hij had zich na het verwerpen van al zijn juridische claims definitief teruggetrokken uit het openbare leven in Den Haag, ergens aan de Franse Rivièra waar hij probeerde de overblijfselen van zijn reputatie te redden met wat er nog over was van zijn persoonlijke reserves. De familienaam was gezuiverd van zijn speculaties, en de stichting die vader in het leven had geroepengedreven op de gelden uit de Zwitserse kluis, was inmiddels officieel geregistreerd om jonge mensenrechtenjuristen te ondersteunen.
Ik had de studeerkamer van vader opnieuw ingericht. De boeken stonden weer netjes in de kasten, de oude leergeur had plaatsgemaakt voor de frisse geur van hachoir en lentehyacinten die ik op de tafel zette. Luna lag op haar vaste plekje in de zon die door het grote raam naar binnen viel, haar grijze snuit rustend op haar voorpoten. Ze ademde rustig en diep, volkomen gelukkig in de wetenschap dat haar wereld veilig was.
Elke ochtend liepen we samen een klein rondje over de oprijlaan, langs de oude lindebomen die al generaties lang over het landgoed waakten. Mensen uit het dorp begonnen weer vriendelijk te zwaaien wanneer we langskwamen, wetende dat de rust van het landhuis was teruggekeerd en dat de oude verhoudingen waren hersteld op basis van integriteit in plaats van geldzucht.
Ik schreef in die maanden mijn eigen memoires over vader, over de diplomatieke wereld waarin hij had geleefd, en over de merkwaardige, prachtige manier waarop een trouwe oude hond de sleutel was geworden tot de redding van onze familie.






