Deel 10: De Val van Ruud
De inspecteurs van het accountantskantoor keken mij vragend aan toen ik hen uitnodigde in de studeerkamer. Meneer De Jong stond al klaar met een officiële ontvangstbevestiging van het arrondissementsparket, ondertekend door de hoofdofficier zelf, gedateerd van vroege ochtend.
"Dit... dit kan niet," mompelde de vrouwelijke inspecteur toen ze het document las. "Dit dossier is al in handen van de centrale eenheid."
"Precies," antwoordde ik koeltjes. "Mijn broer heeft geprobeerd om via valse beschuldigingen de aandacht af te leiden van zijn eigen financiële malversaties met vastgoedfondsen in Oost-Europa. Als u hier zoekt naar belastend materiaal over mij, zult u niets vinden. Maar als u zoekt naar de kopieën van vaders echte rapporten over de praktijken van mijn broer, dan liggen die al op het bureau van de procureur-generaal."
De gezichten van de accountants betrokken. Ze beseften dat ze door Ruud waren misbruikt als pionnen in een particulier familievete dat nu was uitgelopen op een federaal integriteitsonderzoek. Na een korte, koele inspectie van het huis – puur om aan de vormvereisten van het bevel te voldoen – pakten ze hun koffers in en vertrokken ze met stille trom.
Nog geen uur later ging mijn telefoon. Het was Ruud. Zijn stem trilde van blinde woede en paniek.
"Wat heb je in vredesnaam gedaan, Clara?!" schreeuwde hij door de telefoon. "De fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst staat voor de deur van mijn kantoor in Den Haag! Ze nemen al mijn administratie in beslag!"
"Je hebt je eigen graf gegraven, Ruud," zei ik rustig. "Je dacht dat je alles kon kopen, inclusief de erfenis van pap en het leven van een oude hond. Maar je hebt onderschat dat sommige dingen niet te koop zijn."
Ik hing op en drukte het toestel uit. De stilte die daarna in het landhuis neerdaalde, was diep, vredig en volkomen bevrijdend.






