Deel 13: De Legioen van de Schaduwen
De geluiden bij de voordeur zwollen aan tot een oorverdovend gekraak van hout en metaal, alsof de hele gevel van ons huis het kon begeven. De muren van de slaapkamer begonnen te barsten; fijne, donkere scheuren kropen als spinnenwebben over het behang en verspreidden een ijskoude geur van nat aarde en vergane bladeren.
‘Ze zijn met meer,’ bracht mijn man uit, terwijl hij wanhopig om zich heen keek naar iets om de slaapkamerdeur te barricaderen. Maar er was geen tijd meer. De klink van de slaapkamerdeur begon spontaan rond te draaien, zonder dat iemand hem aanraakte.
Ik greep het trillende notitieboek vast en drukte het tegen mijn borst. Het boek brandde in mijn handen alsof het van gloeiend heet ijzer was gemaakt, maar ik liet het niet los. Ik besefte dat het ontvluchten van het verleden onmogelijk was; zolang we probeerden te vergeten, zouden de schaduwen ons achtervolgen. De enige manier om te overwinnen was om de confrontatie aan te gaan met wat er in de rode koffer en het boek besloten lag.
‘We gaan naar beneden,’ zei ik met een stem die plotseling volkomen rustig klonk, gedreven door de oeroude moederkracht om mijn kind terug te krijgen. ‘Naar de kelder. Naar de poort.’
Mijn man knikte, hoewel de angst in zijn ogen af te lezen viel. Hij pakte een zware ijzeren kledingstang die hij uit de kast had getrokken als verdedigingsmiddel, en samen renden we de gang op. Toen we de trap bereikten, zagen we dat de hal beneden volledig was gehuld in een dikke, zwarte mist. Uit die mist staken tientallen bleke, vormeloze handen omhoog, tastend naar de lucht alsof ze ons wilden grijpen.
We sprongen de trap af, ontweken op een haar na de grijpende handen, en stortten ons door de openstaande kelderdeur naar beneden, de diepte in. Achter ons hoorden we de slaapkamerdeur met een enorme klap openbreken en stortte het geluid van een stormwind het hele huis binnen.
De stenen gang onder de kelder zag er nu heel anders uit dan zonet. Het warme, uitnodigende licht was verdwenen; de gang werd nu verlicht door honderden flikkerende blauwe vlammen die langs de muren brandden als fakkels in een crypte. Aan het einde van de gang, bij de grote ijzeren deur, stond de jonge Florence op ons te wachten, maar haar gezicht was nu ernstig en gespannen.
‘Jullie zijn te vroeg teruggekeerd,’ zei ze luid over het geraas van de storm heen. ‘De poort is nu instabiel. Als jullie doorgaan, is er geen weg meer terug naar de wereld zoals jullie die kenden.’
‘Waar is Penny?’ schreeuwde ik, terwijl ik op haar afrende. ‘Geef me mijn dochter!’
Florence wees naar de zware ijzeren deur die nu langzaam op een kier stond. Uit de opening klonk het gelach van een baby – het heldere, vrolijke geluid van onze kleine Penny, vermengd met een diepe, dreigende echo die door de hele onderwereld dreunde.






