Deel 4: De Onverwachte Bezoeker in de Bank
De voetstappen klonken gehaast en galmden door de marmeren gang van de bank. Mijn hart sloeg een slag over. Hoe was het mogelijk? Wie kon mij hier nu al hebben gevolgd? Ik greep de usb-stick en het document van het bureau en propte ze in de binnenzak van mijn jas, net op het moment dat de stem van mijnheer Vaneeckhout klinkend en ietwat paniekerig door de gang rolde.
"Nee, meneer Van de Velde, u mag daar niet zomaar naar binnen! Dit is een besloten zone van de directie!"
Het was de stem van Bram. Luid, arrogant en doorspekt met die vertrouwde irritante zelfverzekerdheid.
"Mij niet toelaten? Weet je wel wie ik ben, sukkel?" klonk het schamper. "Mijn familie bezit de helft van de haven en driekwart van de tegoeden in deze rotbank. Ik ben hier omdat mijn accountant zei dat er een vreemde melding is gedaan over een kluisverificatie. Dus opzij met je oude rotkop!"
Ik hoorde het geluid van een duw, een gestommel en toen het gerinkel van een omgevallen pennenbakje. Vaneeckhout probeerde hem tegen te houden, maar Bram was te sterk en vooral te brutaal. De stalen deur van de IJzeren Kamer stond op een kier. Het warme licht van de schemerlamp scheen als een smalle streep door de opening naar de donkere gang.
Bram moest de streep licht hebben gezien, want de stappen stopten abrupt. Het werd doodstil in de gang, een stilte die vele malen zwaarder woog dan het eerdere kabaal.
"Wat is dit dan?" hoorde ik Bram fluisteren, bijna tegen zichzelf aan. Zijn voetstappen kwamen langzamer, behoedzamer dichterbij. Ik stond in de halfduistere kluis, mijn rug naar de stalen wand gedrukt, terwijl mijn vingers de usb-stick in mijn zak krampachtig vasthielden. Ik wist dat ik geen kant op kon. De gang was de enige uitgang, en Bram stond er pal voor.
De zware stalen deur werd met een ruk en een harde klap volledig opengeduwd. Bram stond in de deuropening, zijn adem hortend, zijn gezicht rood van de inspanning en de woede. Hij droeg een ander, al net zo duur pak als op de dag van de notaris, en zijn ogen puilden bijna uit zijn kassen toen hij mij zag staan tussen de oude kluislades van zijn oom.
"Nora?" uitroepend alsof hij een spook zag, verschoof zijn blik onmiddellijk van mijn gezicht naar het mahoniehouten bureau en het openliggende perkament. Een gemene, triomfantelijke grijns verscheen op zijn gezicht. "Wat in Godsnaam doe jij hier? Ben je nu definitief gek geworden? Dit is privéterrein van de familie! Jij hebt hier niets te zoeken!"
Hij deed een stap naar voren de kluis in, zijn schouders breed makend om indruk te maken. Hij dacht dat hij de baas was, dat hij mij hier kon betrappen en vernederen zoals hij dat al zijn hele leven deed. Maar hij zag de vonk in mijn ogen niet. Hij zag niet dat het roestige sleuteltje in mijn jaszak nog steeds gloeide als een hete kolen.
"Dit is niet van jou, Bram," zei ik met een stem die angstaanjagend kalm klonk, zelfs voor mezelf. "Dit is van mij. En oom Ray heeft het eigenhandig aan mij nagelaten."
Bram proestte het uit van de lach, hoewel er een nerveuze ondertoon in zijn stem doorklonk. Hij liep op me af, stak zijn hand uit om het bureau te bereiken, en riep: "Geef hier dat papier, voordat ik de politie bel en laat arremdraaien voor inbraak en diefstal, kleine rat!"
Maar net toen zijn vingers het bureau bijna raakten, gebeurde er iets wat we allebei niet hadden kunnen voorzien. Uit de diepte van het gebouw klonk een doffe, dreunende klap, en alle lichten in de bank gingen in één keer uit, waardoor we in totale duisternis werden gehuld.






