DEEL 6 – De Parkeerplaats in de Nacht
De koude avondlucht sloeg in mijn gezicht alsof ik een emmer ijswater over me heen kreeg toen ik het restaurant verliet. Achter me bleven de twee vrouwen – mijn verleden en mijn geheime nageslacht – achter aan de hoektafel met de onaangeraakte pasta. Ik had geen cent betaald, maar de rekening die me te wachten stond was vele malen hoger dan die vijftig dollar voor de steak.
Op de parkeerplaats stond onze grijze sedan met draaiende motor te wachten. De koplampen schenen zwak door de motregen die inmiddels was begonnen te vallen. Ik liep met lood in mijn schoenen naar de bijrijderskant, maar toen ik aan de deur trok, bleek die op slot te zijn. Met een lichte klik ging het slot van de bestuurderskant open. Mijn vrouw, die inmiddels op de passagiersstoel was gaan zitten of juist vanaf daar de auto bestuurde, gebaurde dat ik achter het stuur moest plaatsnemen.
Ik opende het portier en stapte in. De geur van haar dure parfum, dezelfde geur die me al een kwart eeuw had omringd, hing in de kleine ruimte. Het voelde verstikkend.
“Start de motor,” zei ze zonder me aan te kijken. Ze staarde naar het dashboard waar de druppels van de motregen over de voorruit gleden.
“Waar gaan we heen?” vroeg ik, terwijl mijn handen op het stuur trilden. “Wat is hier in vredesnaam aan de hand? Wie waren die vrouwen daar binnen? Wist jij echt… vanaf het allereerste begin?”
Mijn vrouw draaide haar hoofd langzaam naar me toe. In het zwakke schijnsel van de straatverlichting zag ik haar gezicht strak en ondoorgrondelijk. Er was geen woede te bekennen, geen tranen, geen verwijt. Alleen een angstaanjagende, klinische rust.
“Start de motor,” herhaalde ze met een stem die geen tegenspraak duldde. “Of wil je dat ik nu meteen aan onze zoon vertel wat er vandaag allemaal op je bankrekeningen is gebeurd?”
De naam van onze zoon – onze enige, geliefde zoon die inmiddels in een andere stad studeerde en dacht dat zijn ouders het meest gelukkige koppel ter wereld vormden – sloeg bij mij in als een mokerslag.
“Laat onze zoon hier buiten!” riep ik uit. “Dit gaat tussen jou en mij!”
“Dit is al heel lang niet meer alleen tussen jou en mij,” antwoordde ze bitter. “Jij dacht dat je in 2015 een geheim had gecreëerd. Maar je hebt toen eigenhandig de fundamenten gelegd onder de sloopkogel die vandaag ons hele leven omverwerpt. Rij nu naar het oude landgoed aan de rivier. Daar is genoeg privacy om rustig de balans op te maken.”
Ik wilde protesteren, ik wilde schreeuwen dat dit waanzin was, maar toen ik haar ogen aag te bekijken, wist ik dat verzet zinloos was. Ze hield alle troeven in handen. Met een sidderende zucht draaide ik de sleutel om en zette de auto in de versnelling, de nacht in, weg van het restaurant waar ons jubileum in scherven lag.






