DEEL 4 – De Zesde Verdieping
De woorden galmden na in mijn hoofd alsof ze onder een glazen stolp werden uitgesproken. Er is iemand anders die al je stappen volgt. Wie kon dat in vredesnaam zijn? Mijn gedachten schoten alle kanten op. Was er tijdens die vier maanden in 2015 sprake van een bredere samenzwering? Werd ik gechanteerd door het hotelpersoneel, of had iemand uit mijn eigen vriendenkring al die jaren meegekeken zonder dat ik het doorhad?
Het meisje schoof een klein, zwart USB-flashdrive over het tafelkleed naar mijn kant toe. Het ding gleed geruisloos over het houten blad en stopte precies naast de open envelop met mijn eigen handgeschreven brief.
“Wat is dit?” vroeg ik, terwijl ik naar het kleine stukje plastic staarde alsof het een giftige slang was.
“Bewijsmateriaal,” antwoordde ze kort. “Niet alleen van mijn geboorte, of van de operatie die ik volgende week moet ondergaan. Maar van alles wat je dacht dat je zorgvuldig had gewist. Elke e-mail, elk telefoontje, elke bonnetjesreconstructie van je zogenaamde zakenreizen. Iemand heeft alles bewaard, jaat in, jaar uit.”
Ik voelde het zweet langs mijn rug naar beneden druppelen. Mijn kostbare pak, gekocht voor onze jubileumavond, voelde ineens als een benauwd keurslijf. “Maar waarom nu pas? Als jullie dit al jaren wisten, waarom dan pas op onze vijfentwintigste trouwdag naar buiten treden met deze eis?”
“Omdat de tijd van verstoppertje spelen voorbij is,” klonk er opeens een derde stem achter ons.
Ik schrok me kapot en draaide me abrupt om in mijn stoel. Uit de schaduw van de restaurantgang stapte een gestalte naar voren. Het was niet de serveerster, en het was ook niet de manager. Het was een vrouw die ik kende, maar tegelijkertijd ook helemaal niet leek te kennen. Ze droeg dezelfde elegante mantel die mijn vrouw aan had toen ze wegliep, maar haar gezicht stond strak en ondoorgrondelijk.
Nee, wacht. Het was niet mijn vrouw. Het was de vrouw uit het hotel in 2015. De vrouw met wie ik toen die vier maanden lang een affaire had gehad, en van wie ik dacht dat ik haar al die jaren geleden definitief uit mijn leven had gewist.
Ze zag er ouder uit, haar haar was korter en haar ogen droegen de sporen van slapeloze nachten, maar de blik was onmiskenbaar dezelfde. Ze liep rustig door naar onze tafel, schoof de stoel aan de andere kant aan en ging zitten, pal naast het jonge meisje dat ze kennelijk haar dochter noemde.
“Verrassing,” zei ze met een ijzig kalme stem. “Of dacht je werkelijk dat je zomaar kon verdwijnen nadat je ons destijds aan je lot had overgelaten op de zesde verdieping?”






