Deel 5: De Inbraak in Eigen Huis
De rit terug naar ons huis voelde als een surrealistische droom. De straten van de buitenwijk waren verlaten, verlicht door het kille oranje licht van de straatlantaarns. Toen de politiebusjes de oprit opreden, zag ik dat het licht in de werkkamer van mijn vader nog brandde. Hij was kennelijk alweer thuis, vrijgelaten na een kort verhoor dankzij de invloed van zijn advocaat.
Rechercheur De Jong stapte als eerste uit, flankeren door twee agenten in kogelwerende vesten. “Blijf dicht bij mij,” fluisterde hij tegen me. “Als je vader problemen maakt, grijpen we in.”
We liepen via het tuinpad naar achteren, langs de donkere contouren van de keuken naar het houten schuurtje aan de rand van het perceel. Het hangslot lag inderdaad verbrijzeld op de grond, de stalen beugel doorgeknipt met een betonschaar. De deur stond op een kier, en een zwakke, chemische geur van verf en stof drong naar buiten.
De Jong duwde de deur langzaam open met zijn zaklamp. De lichtbundel sneed door de duisternis en verlichte rijen oude dozen, tuinstoelen en in een hoek: de zware, brandwerende kluis die daar al jaren stond te verstoffen. Of dat dachten we tenminste.
“Jij zei dat deze kluis biometrisch was beveiligd?” vroeg De Jong terwijl hij naar het digitale paneel op de deur ke thofe.
“Ja,” knikte ik. “Mijn vader heeft die scanner ingesteld op zijn eigen duimafdruk en die van mij, voor noodgevallen zei hij altijd.”
“Mooi. Dan gaan we die nu testen.” De Jong pakte een steriele handschoen uit zijn zak en trok die aan. “Niet aanraken met blote handen. Zet je duim maar op de lezer als ik teken geef.”
Ik stapte naar voren, mijn hart bonzend in mijn keel. Wat als de kluis leeg was? Wat als dit allemaal een dwaalspoor van De Jong was? Ik drukte mijn rechterduim stevig op het glazen glaasje van de scanner.
Biep.
Een groen lampje knipperde op. Met een zware, mechanische klik sprong de stalen deur van de kluis vanzelf open. Een wolk van muffe lucht sloeg ons tegemoet.
De Jong scheen met zijn zaklamp naar binnen. In plaats van oude documenten of geld lag de kluis vol met iets heel anders. Er lagen tientallen kleine, genummerde plastic zakjes gevuld met wit poeder, gestapeld naast dikke enveloppen met contant geld. Maar wat ons echt deed ademhalen, waren de videobanden en een oude laptop die onderop lagen.
“Bingo,” fluisterde De Jong. Hij pakte een van de enveloppen vast. “Dit is geen gewone huiselijke twist, jongen. Je vader zit tot zijn nek in de drugshandel. En die vriendin van hem... Clara was waarschijnlijk zijn koerier of verslaafde partner in crime.”
Plotseling hoorden we een hard geluid achter ons. Het knerpen van grind.
Ik draaide me om en zag in het schijnsel van de straatlantaarn de gestalte van mijn vader staan bij de achterdeur van het huis. Hij hield een zware metalen pijp in zijn hand, en zijn gezicht was vertrokken in een angstaanjagende, blinde woede.
“Wat de hel doen jullie in mijn schuur?” schreeuwde hij, terwijl hij met grote stappen op ons afstormde.






