DEEL 7
"Wie ben je?" vroeg ik, en mijn stem klonk scherper dan ik bedoelde.
De vrouw aan de andere kant lachte zachtjes. Een ijselijk geluid dat direct herinneringen opriep aan dat vervloekte telefoontje van een week geleden. "Je weet donders goed wie ik ben, Sophie. Ik ben de vrouw met wie Julian zijn leven wil delen. Degene die hij beloofde te trouwen zodra jij aan de kant werd geschoven."
Mijn hart sloeg een slag over, maar ik dwong mezelf om rustig te blijven. Ik mocht haar geen zwakte laten zien. "Dus jij bent degene voor wie hij zijn gezin heeft opgeofferd," antwoordde ik minachtend. "Gefeliciteerd, je hebt een man overgenomen die liegt, bedriegt en zijn eigen vrouw en kind in de steek laat. Je mag hem houden."
"Denk je echt dat het zo simpel is?" antwoordde ze met een scherpe toon in haar stem. "Julian vertelt me dat je hem behandelt als een crimineel. Je heeft zijn bankrekeningen laten blokkeren, je heeft de politie... of nou ja, je heeft ervoor gezorgd dat hij uit zijn eigen huis is gezet. En nu durf je te zeuren?"
Ik kon mijn oren niet geloven. Ze belde mij op om verhaal te halen? Alsof zij het slachtoffer was in dit verhaal? De brutaliteit en het gebrek aan realiteitszin van die vrouw sloegen werkelijk alles.
"Luister eens heel goed," zei ik, en ik voelde de adrenaline door mijn aderen stromen. "Julian is een volwassen man die zelf zijn keuzes heeft gemaakt. Hij heeft gelogen, hij is vreemdgegaan, en hij heeft geprobeerd om geld achterover te drukken dat bestemd was voor de opvoeding van mijn kind. Als je denkt dat ik over me heen laat lopen, dan heb je het mis. En als je nog eens belt, hang ik niet op, maar stuur ik de opnames direct naar je werkgever en je familie. Geloof me, ik heb genoeg bewijs om jullie allebei kapot te maken."
Het bleef doodstil aan de andere kant van de lijn. Ze had kennelijk niet verwacht dat ik zo fel van zich af zou bijten.
"Je zult hier spijt van krijgen, Sophie," siste ze uiteindelijk, waarna ze met een harde klik de verbinding verbrak.
Ik liet de telefoon zakken en haalde diep adem. Mijn handen trilden lichtjes, niet van angst, maar van pure woede. Hoe durfden ze? Ze hadden ons leven bijna verwoest, en nu deden ze alsof zij degenen waren die onrecht werd aangedaan.
Maar lang kon ik niet stilstaan bij dat telefoontje. Diezelfde avond stond er namelijk iemand onverwachts voor de deur. Iemand van wie ik had verwacht dat hij zich voorlopig niet meer zou vertonen.
Ik keek door het kleine raampje naast de voordeur en zag Julian daar staan. Hij zag er slecht uit. Zijn haar zat in de war, zijn ogen zaten onder de kringen van vermoeidheid, en hij droeg dezelfde kreukelige jas als op de dag dat hij wegging. Hij belde niet aan; hij bonsde met zijn vuist tegen de deur.
"Sophie! Doe open! Ik weet dat je thuis bent!" riep hij wanhopig.






