DEEL 8
Het metalen geluid van het spannen van de haan weerklonk door de ruimte alsof het vlak naast mijn oor gebeurde. Er was geen tijd om na te denken, geen tijd om op de politie te wachten. Als ik nu niets deed, zou mijn vader voor mijn ogen worden neergeschoten en zou de hele ruimte in vlammen opgaan.
Met een kreet van pure wanhoop greep ik een zware, losliggende baksteen van het puin naast me en ramde die met volle kracht door het kelderraam.
HET GLAS SPATTE MET EEN HARD KLETTEREND GELUID UIT ELKAAR.
"Vader! Bukken!" schreeuwde ik uit volle borst door de opening.
Mijn vader reageerde met een instinctieve snelheid die leek te stammen uit jaren van constante paraatheid. Hij liet zich plat op de met benzine overgoten betonvloer vallen net op het moment dat de man met het geweer doelloos naar het raam draaide.
BANG!
Een oorverdovende schotgalm vulde de kelder. De hagelpatronen sloegen een gat in het metselwerk vlak boven het kelderraam, waardoor er een wolk van rood stof en gruis over mij heen minste.
Ik dook weg, maar zette mijn zaklamp op de felste stand en scheen de lichtstraal recht door het gebroken raam in de ogen van de schutter.
"Wat de hell..." vloekte de man met het geweer, terwijl hij verblind zijn hand voor zijn ogen hield.
Mijn vader maakte van die seconde van verwarring gebruik. Vanaf de grond maaide hij met zijn been naar de enkels van de schutter. De gewapende man verloor zijn evenwicht en viel met een zware klap achterover tegen de houten tafel. Het jachtgeweer glipte uit zijn handen en kletterde over de vloer, recht in de richting van het gebroken kelderraam.
Ik aarzelde geen seconde. Ik reikte met mijn arm door de scherpe glazen randen van het raam, greep de loop van het geweer vast en trok het naar buiten. Mijn onderarm schuurde langs een scherpe glazen punt en een snijdende pijn ging door mijn arm, maar de adrenaline overstemde alles. Ik gooide het wapen zo ver mogelijk weg in het hoge gras van het fabrieksterrein.
Binnen in de kelder ontstond een gevecht op leven en dood.
De schutter, een brede man met een litteken over zijn wang, krabbelde overeind en greep een koperen aansteker uit zijn zak. "Als ik jou niet kan neerschieten, dan verbranden we allemaal!" schreeuwde hij razend.
Hij sloeg het wieltje van de aansteker om. Een klein, geel vlammetje ontbrandde.
De benzinedampen in de afgesloten kelderruimte waren verstikkend sterk. Eén vonk zou de hele ruimte in een inferno veranderen.
"Nee!" schreeuwde mijn vader. Hij vloog naar voren en greep de pols van de man vast voordat hij de vlam op de met benzine doordrenkte vloer kon laten vallen.
Beide mannen worstelden wild over de grond. De man met het litteken was jonger en sterker, maar mijn vader vocht met de kracht van iemand die twintig jaar lang op dit ene moment van vrijheid had gewacht.
Ik rende naar de dichtstbijzijnde kelderdeur aan de zijkant van het gebouw. De zware houten deur was gebarricadeerd met een ijzeren stang. Met al mijn gewicht gooide ik mezelf tegen de stang tot hij loskwam en met een harde klap op de grond viel.
Ik trapte de deur open en stormde de kelder binnen, net op het moment dat de man met het litteken mijn vader van zich af trapte. Mijn vader sloeg hard met zijn hoofd tegen de rand van het metalen bed en bleef versuft liggen.
De schutter kwam overeind, zijn ogen wild. Hij richtte de brandende aansteker op de benzineplas die zich naar de voeten van mijn vader uitstrekte. "Hendrik heeft me betaald om de klus af te maken," grijnsde hij duister. "Geen getuigen."
hij wilde de aansteker laten vallen.
"Kijk eens achter je," zei ik met een ijskoude, trillende stem.
De man aarzelde en keek vluchtig omhoog.
Achter mij, in de openstaande kelderdeur, stonden niet één, maar drie gewapende politiemensen van het speciale bijstandsteam, hun laservizieren strak gericht op de borst van de schutter. Buiten op de oprijlaan weerklonken de loeiende sirenes van minstens vier wagens.
"Politie! Laat de aansteker vallen! Nu!"
De schutter verstijfde. Hij keek naar de rode laserdots op zijn kleding, keek naar de bezine op de vloer, en besefte dat hij geen schijn van kans had. Langzaam doofde hij de vlam van de aansteker en liet het apparaatje op de droge tegels vallen. Two agenten stormden naar voren en werpen hem met geweld tegen de muur.
Ik keek niet eens naar de arrestatie. Ik liet me op mijn knieën vallen naast het bed waar mijn vader lag.
Hij opende langzaam zijn ogen. Zijn hand, ruw en trillend, reikte omhoog en raakte mijn wang aan. Een traan sneed een spoor door het stof op zijn gezicht.
"Emma..." fluisterde hij met een schorre, gebroken stem. "Mijn kleine Emma... je bent gekomen."
"Ik ben hier, papa," huilde ik, terwijl ik zijn hand met beide handen vastgreep. "Ik ben hier. Het is voorbij."
Hij schudde langzaam zijn hoofd, terwijl hij me met een angstige blik aankeek. "Het is niet voorbij, Emma... Je had hier niet mogen komen."
Hij greep mijn kraag vast en trok me dicht naar zich toe, terwijl zijn stem boordevol pure schrik zat: "Hendrik was niet de baas. Hendrik was alleen de loopjongen. De persoon die mij hier twintig jaar heeft gehouden... zit nog steeds in jouw familie."






