MIJN OMA LIET MIJ ALLES ACHTER
News Story

MIJN OMA LIET MIJ ALLES ACHTER

0 weergaven

DEEL 7

De paniek sloeg als een razende storm in mijn hoofd toe. Twaalf minuten. Twaalf minuten voordat 'de bewaker' de laatste sporen zou uitwissen van de plek waar mijn vader mogelijk al twintig jaar gevangen werd gehouden.

"We moeten er nu naartoe!" schreeuwde ik, terstond opstaand van mijn stoel.

"Emma, rustig!" de notaris greep mijn schouders vast. "Je kunt daar niet alleen naartoe. Dit is een zaak voor de politie. Rechercheur, stuur meteen een arrestatieteam naar de oude kruitfabriek aan de Nachtegaallaan!"

De rechercheur knikte snel en begon direct in zijn walkietalkie te praten, maar ik zag het aarzelen in zijn ogen. Het opstarten van een officieel bijstandsteam, het aanvragen van toestemming en het navigeren door de zware storm zou minstens een half uur in beslag nemen. Half uur... tijd die mijn vader niet had.

Terwijl de agenten in de gang druk overlegden en de notaris naar het raam liep om een telefoontje te plegen, keek ik naar de houten tafel. Mijn autosleutels en het dagboek van oma lagen binnen handbereik.

Ik twijfelde geen seconde. Met een snelle beweging griste ik de sleutels en het dagboek mee, glipte geluidloos de verhoorkamer uit en rende door de achteruitgang van het politiebureau naar buiten.

De ijskoude regen sloeg fel in mijn gezicht. Ik sprong in mijn kleine, oude hatchback, startte de motor met een loeiend geluid en trapte het gaspedaal vol in. De banden piepten over het natte asfalt terwijl ik het parkeerterrein af schoot, de donkere, verlaten buitenwegen op.

De weg naar Oud-Annerveen was verraderlijk. Takken van bomen waaiden over het wegdek en het zicht was nauwelijks tien meter. Mijn koplampen sneden moeizaam door de dichte mist en de gietende regen. Mijn handen omklemden het stuurwiel zo vast dat mijn knokkels wit wegtrokken.

Leeft hij echt? De gedachte spookte door mijn hoofd. Was het mogelijk dat mijn vader al die jaren, terwijl ik opgroeide in de veronderstelling dat ik een wees was, op een paar kilometer afstand opgesloten zat? Hoe kon een mens zoiets overleven? En wie was de 'bewaker' waar Laura over sprak?

Om 23:56 uur sloeg ik de doodlopende, onverharde weg van de Nachtegaallaan in. De houten takken van de overhangende bomen schuurden luidruchtig langs de zijkant van mijn auto. Aan het einde van de weg dook de imposante, zwarte schaduw op van de oude kruitfabriek. Een vervallen bakstenen complex uit het begin van de vorige eeuw, overwoekerd door klimop en omheind met verroest prikkeldraad.

Ik zette de koplampen uit en liet de auto uitrollen tot achter een grote, omgevallen eikenboom.

Het was doodstil, op het huilen van de wind na.

Ik stapte uit, pakt een zware zaklamp uit het dashboardkastje en klom voorzichtig door een gat in het hekwerk. De grond was drassig en vol puin. Het complex bestond uit meerdere grote hallen met gebroken ruiten.

Mijn horloge gaf aan: 23:59 uur.

Plotseling hoorde ik het lage, zware brommen van een aggregaat dat aansloeg in het hoofdgebouw. Binnen in de fabriek lichtte een doffe, gele gloed op achter de matglazen ramen van het souterrain.

Ik sluip zo dicht mogelijk langs de bakstenen muur naar een klein kelderraam. Ik boog me voorover en keek voorzichtig door het stoffige glas naar binnen.

Wat ik zag, deed mijn adem stokken.

De kelderruimte was ingericht als een sobere, maar functionele leefruimte. Er stond een oud metalen bed, een tafel met boeken en een klein kookstel. Maar het opvallendste was de muur achter het bed: die hang vol met honderden krantenartikelen, foto’s en handgeschreven notities. En centraal op die muur hing een grote foto van mij—van mijn kinderjaren tot aan mijn recente afstuderen.

In de ruimte stond een man met zijn rug naar het raam toe. Hij droeg een donkere, versleten jas. Hij was bezig met het leeggieten van een rode jerrycan vol benzine over de meubels en de papieren aan de muur.

"Nee..." fluisterde ik paniekerig tegen het raam.

De man stopte met gieten. Alsof hij mijn fluistering door het dikke glas heen had gehoord, verstijfde hij. Langzaam, heel langzaam, draaide hij zich om.

Het licht van de enkele spaarlamp boven zijn hoofd viel vol op zijn gezicht.

Het was een gezicht dat getekend was door jaren van diepe rimpels, verdriet en opsluiting, maar de helderblauwe ogen waren onmiskenbaar. Het waren de ogen van mijn vader.

Maar voordat de vreugde in mij kon ontbranden, zag ik de beweging achter hem.

Uit de donkere schaduw van de deuropening achter mijn vader stapte een tweede gedaante naar voren. De man droeg een zware overall en hield een glimmend jachtgeweer in zijn handen. Hij richtte de loop van het wapen recht op het achterhoofd van mijn vader.

De man met het geweer keek op zijn horloge. Het was exact 00:00 uur. Hendrik had niet gebeld.

De vreemdeling spande de haan van het geweer met een harde, metalen klik.