DEEL 6
Mijn hart miste een slag. De wereld om me heen leek te vervagen. Het geluid van de draaiende motor van de politiewagens, het kletteren van de regen op het asfalt, het roepen van de agenten—alles werd gedempt. Mijn blik bleef strak gefixeerd op het kleine zolderraam van het oude landhuis.
Het silhouet bewoog. De gedaante bracht het zakhorloge langzaam naar zijn gezicht, Alsof hij de tijd controleerde, en keek daarna strak naar beneden... recht naar mij.
"Emma? Gaat het?"
De stem van mr. Van de Berg bracht me abrupt terug naar de werkelijkheid. Hij hield het portier van zijn auto voor me open en keek me bezorgd aan.
"Er... er staat iemand op zolder," stamelde ik, terwijl mijn zittende vinger naar de bovenste verdieping van het huis wees.
De notaris keek op naar de donkere gevel. "Op zolder? Dat kan niet, Emma. De politie heeft het hele pand doorzocht toen ze binnenkwamen. Bovendien is die verdieping al sinds de jaren negentig afgesloten vanwege instortingsgevaar."
Ik keek opnieuw omhoog. Het licht was verdwenen. Het raam was pikdonker, alsof er nooit iets had gebrand. Was het een hersensimulatie? Was mijn geest, overspoeld door adrenaline en angst, spelletjes met me aan het spelen? Maar ik wist wat ik gezien had. Dat zakhorloge—het gouden zakhorloge met de gegraveerde initialen 'M.V.' van mijn vader, Mark Van de Berg—was uniek. En het had nooit gevonden mogen worden in dat wrak twintig jaar geleden.
"Kom," drong de notaris zacht aan. "Je bent in shock. Het is een lange, vreselijke nacht geweest. Laten we eerst naar het bureau gaan."
De rit naar het hoofdbureau van politie verliep in een verdovende stilte. Het regende onophoudelijk. Pas toen ik in een sober verlichte verhoorkamer zat met een warme kop thee tussen mijn ijskoude handen, begon het besef langzaam door te dringen. Hendrik was gearresteerd. Laura werd verhoord als medeplichtige. Het bewijs van het doorgestoken telefoongesprek was in handen van de recherche.
Na twee uur lang mijn verklaring te hebben afgelegd aan een geduldige rechercheur, kwam mr. Van de Berg de ruimte weer binnen. Hij droeg een zware, lederen aktekoffer bij zich.
"De rechercheurs zijn klaar voor vannacht, Emma," zei hij. "Je mag naar huis... of wat er van over is. Maar voordat je gaat, is er nog één ding dat ik je moet overhandigen. Iets wat niet in het officiële testament stond en wat ik pas aan je mocht geven ná de arrestatie van Hendrik."
Hij zette de koffer op de houten tafel en klapte de koperen sluitingen open. Binnenin lag een dik, met leder gebonden dagboek. De kaft was versleten en de randen van de pagina's waren bruin gekleurd door de tijd.
"Het dagboek van je grootmoeder," zei de notaris met een lage stem. "Ze begon erin te schrijven op de dag dat je vader verdween. En ze stopte pas de nacht voordat ze overleed."
Ik stak voorzichtig mijn hand uit en raakte het koele leer aan. "Waarom heeft ze dit niet aan de politie gegeven?"
"Omdat het politiedossier van twintig jaar geleden gecorrumpeerd was," antwoordde Van de Berg ernstig. "Hendrik had niet alleen de schouwarts in zijn zak, maar ook de toenmalige korpschef. Je oma woot dat als ze het dagboek eerder prijsgaf, het spoorloos zou verdwijnen. Ze moest wachten tot de oude garde gepensioneerd was en jij oud genoeg was om de waarheid te dragen."
Hij sloeg het dagboek op een willekeurige pagina in het midden open.
"Lees dit," zei hij, terwijl hij zijn vinger bij een specifieke datum zette: 18 november 2004—vier dagen ná de tragische auto-crash van mijn vader.
Ik boog me voorover en las het fijne handschrift van mijn oma:
'Ze denken dat ik hen geloof. Ze denken dat ik schreeuw van verdriet om de dood van mijn oudste zoon Mark. Maar ik heb de kist gezien voordat ze hem sloot. De man in die kist was Mark niet. De lengte klopte niet. De littekens op zijn handen ontbraken. Hendrik en Laura hebben een lichaam gekocht uit het mortuarium om een moord te faken. Mark leeft. Maar ze houden hem gevangen...'
Mijn adem stokte. Mijn thee viel om, en de hete vloeistof stroomde over de houten tafel, maar ik merkte het niet eens op.
"Mijn... mijn vader is niet dood?" fluisterde ik met een schorre stem. Mijn hele lichaam begon onbeheersbaar te trillen. "Hij is twintig jaar geleden niet omgekomen bij dat ongeluk?"
"Dat is wat je oma geloofde," zei de notaris ijzig kalm. "Ze heeft twintig jaar lang gezocht naar de plek waar Hendrik hem verborgen hield. En de allerlaatste bladzijde van dit dagboek, geschreven slechts twaalf uur voor haar dood, bevat een adres."
Met trillende vingers sloeg ik om naar de laatste pagina van het boek. Daar, in een zwak en bibberig handschrift, stond een adres geschreven dat mijn bloed deed stollen:
Nachtegaallaan 14, Oud-Annerveen. De oude kruitfabriek.
Dat was het vervallen industrieterrein aan de rand van het bos—een plek die al decennia lang was afgesloten voor publiek. En het was nauwelijks drie kilometer verwijderd van het landhuis van mijn oma.
Op dat moment ging de deur van de verhoorkamer plotseling open. Een jonge agent kwam gehaast binnen met een paperassenmap.
"Meneer Van de Berg, rechercheur," zei de agent nerveus. "We hebben een probleem op het bureau."
"Wat is er aan de hand?" vroeg de notaris.
"Oom Hendrik... hij is zojuist ingestort in zijn cel. Een allergische reactie of vergiftiging, we weten het nog niet. De ambulance is onderweg, maar hij is buiten bewustzijn." De agent keek naar mij met een blik vol medelijden. "En er is nog iets. Laura heeft zojuist bekend. Ze zei dat we te laat zijn. Ze zei dat 'de bewaker van de kruitfabriek' vanavond de laatste sporen zou uitwissen als Hendrik niet om twaalf uur zou bellen..."
Ik keek op de klok aan de muur van het politiebureau.
Het was 23:48 uur. Ik had nog precies twaalf minuten.






