DEEL 7 — DE KLUIS 417
Sophie las het bericht opnieuw.
DOOR JE VADER.
Haar vingers trilden.
“Thomas.”
Hij keek naar haar telefoon.
Zijn gezicht veranderde onmiddellijk.
“Laat me dat zien.”
Ze gaf hem het toestel.
Thomas las de drie berichten.
“Dit is onmogelijk.”
“Waarom?”
“Omdat niemand wist van die kluis.”
Victor keek hem scherp aan.
“Jij wist ervan.”
“Ja.”
“Wie nog meer?”
Thomas zweeg.
Sophie keek hem aan.
“Wie?”
“Mijn vader.”
“Maar hij is dood.”
Thomas antwoordde niet.
Dat was genoeg.
Sophie voelde een koude rilling over haar rug.
“Je denkt dat hij nog leeft.”
“Ik weet niet wat ik denk.”
“Je hebt twintig jaar lang onderzoek gedaan.”
“Ja.”
“Dus vertel me wat je weet.”
Thomas haalde diep adem.
“Op de officiële documenten staat dat jouw vader twintig jaar geleden is overleden.”
“Dat weet ik.”
“Maar er is nooit een lichaam gevonden.”
Sophie keek hem aan.
“Wat?”
“Je moeder kreeg alleen een overlijdensakte.”
“Waarom wist ik dat niet?”
“Omdat je moeder nooit wilde dat je vragen stelde.”
Sophie voelde woede opkomen.
“Dus iedereen wist iets behalve ik?”
Thomas keek naar haar.
“Ik probeerde je buiten dit alles te houden.”
“Dat werkte geweldig.”
Hij liet zijn hoofd zakken.
De auto reed ondertussen richting een klein vliegveld.
Victor had een privévliegtuig geregeld.
Binnen een uur waren ze onderweg naar Amsterdam.
Lotte bleef achter in een beveiligd hotel.
Anna zou met de detective naar een veilige locatie gaan.
Sophie zat naast Thomas.
Geen van beiden sprak.
Toen het vliegtuig eenmaal in de lucht was, zei ze:
“Waarom trouwde je met mij?”
Thomas keek haar aan.
“Ik heb je die vraag al beantwoord.”
“Niet volledig.”
Hij zuchtte.
“De eerste keer dat ik je zag, was drie jaar voordat we trouwden.”
Sophie fronste.
“Waar?”
“Bij een herdenkingsbijeenkomst voor je vader.”
“Ik was daar.”
“Ik ook.”
“Maar ik herinner me jou niet.”
“Dat hoefde ook niet.”
Hij glimlachte zwak.
“Ik stond achteraan.”
“Waarom?”
“Omdat ik je wilde beschermen zonder dat je wist dat je beschermd werd.”
Sophie keek naar buiten.
“En toen?”
“Toen werd ik verliefd.”
Ze keek hem aan.
“Wanneer?”
“De dag waarop je een oude vrouw hielp die haar tas had laten vallen.”
Sophie moest bijna lachen.
“Dat is nogal specifiek.”
“Ze had niemand.”
“En jij zag dat?”
“Ja.”
“En je dacht toen dat je met me wilde trouwen?”
“Nee.”
Hij keek haar aan.
“Toen wist ik alleen dat ik je nooit meer uit mijn leven wilde.”
Sophie zweeg.
Het vliegtuig landde kort na middernacht.
Amsterdam was donker.
Nat.
Stil.
Thomas had een auto geregeld.
Ze reden rechtstreeks naar Centraal Station.
Op dat tijdstip was het station bijna leeg.
De kluisruimte bevond zich aan de achterkant.
Nummer 417 stond helemaal onderaan.
Sophie knielde.
Ze stak de sleutel in het slot.
Maar voordat ze hem omdraaide, zag ze iets.
Een klein rood draadje.
“Thomas.”
Hij bukte.
“Wat?”
“Dit zat niet aan de sleutel.”
Hij pakte het draadje.
Zijn gezicht werd bleek.
“Dit is een markering.”
“Voor wie?”
“Voor degene die wist dat we hier zouden komen.”
Victor keek om zich heen.
“Dan zijn we niet alleen.”
Thomas keek naar de camera boven de gang.
“Die camera draait.”
Victor trok zijn wapen niet, maar zijn houding veranderde.
“Open de kluis.”
Sophie draaide de sleutel om.
Klik.
De deur ging open.
Binnen lag één zwarte map.
Een envelop.
Een oude foto.
En een cassettebandje.
Sophie pakte de foto.
Ze keek ernaar.
Daar stonden drie mannen op.
Haar vader.
Thomas' vader.
En een derde man.
Sophie kende hem.
Ze had hem honderden keren gezien.
Op televisie.
In kranten.
Op zakenconferenties.
“Dat is…”
Thomas keek.
Zijn gezicht verstarde.
“Marcus De Wit.”
“Maar hij was toen nog maar een jonge werknemer.”
Thomas knikte.
“Dat was hij.”
Sophie pakte de envelop.
Op de voorkant stond haar naam.
SOPHIE VAN DIJK.
Ze opende hem.
Er zat één vel papier in.
De handschrift was oud.
Maar herkenbaar.
Van haar vader.
Sophie las:
Als je dit leest, heb ik gefaald.
Ze slikte.
Vertrouw niemand die beweert dat ik dood ben.
Haar hart sloeg over.
De volgende zin was nog erger.
En vooral niet de man die naast je staat.
Sophie keek langzaam op.
Thomas stond naast haar.
Ze keek naar hem.
Toen naar de brief.
“Wat betekent dit?”
Thomas antwoordde niet.
Achter hen klonk plotseling een geluid.
Een deur.
Die dichtviel.
Victor draaide zich om.
“Wie is daar?”
Geen antwoord.
Toen ging de verlichting van de hele kluisruimte aan.
Een scherm boven de gang sprong automatisch aan.
Een gezicht verscheen.
Oud.
Vermoeid.
Maar onmiddellijk herkenbaar.
Sophie liet de brief vallen.
Ze kende dat gezicht.
Ze had het tientallen jaren alleen op foto's gezien.
Haar adem stokte.
“Papa…?”
De man op het scherm keek recht in de camera.
En zei:
“Als je dit ziet, Sophie, betekent het dat Thomas je eindelijk de waarheid heeft verteld.”
Thomas deed een stap achteruit.
Sophie keek naar hem.
Maar haar vader sprak verder.
“En betekent het ook dat mijn dochter inmiddels weet…”
Het beeld werd zwart.
Een seconde later verscheen één laatste zin.
DAT IK NIET DOOD BEN.






