DEEL 6 — DE STEM IN HET DONKER
Het licht was nog geen drie seconden uit.
Maar voor Sophie voelde het als een eeuwigheid.
Ze hoorde alleen haar eigen ademhaling.
Daarna het zachte huilen van Lotte's dochter.
En ergens in de gang… voetstappen.
Langzaam.
Beheerst.
Alsof degene die binnenkwam alle tijd van de wereld had.
“Blijf achter mij,” fluisterde Thomas.
Sophie voelde hoe zijn hand de hare stevig vasthield.
Victor bewoog onmiddellijk naar voren.
“Hoeveel mensen?”
Thomas antwoordde niet.
Een felle lichtbundel schoot plotseling door de gang.
Daarna nog één.
Zaklampen.
Meerdere.
Victor trok Sophie achter een muur.
“Niet bewegen.”
Een deur sloeg open.
“Doorzoek het huis!”
De stem was laag.
Koud.
Professioneel.
Sophie keek naar Thomas.
“Wie zijn dat?”
Thomas fluisterde:
“De mensen waar ik je voor probeerde te beschermen.”
Anna kwam voorzichtig de trap af.
“Thomas…”
Hij keek naar haar.
“Is er nog een uitgang?”
Anna knikte.
“Achter de keuken. Een oude dienstingang.”
Victor wees naar de deur.
“Dan gaan we.”
“En Lotte?”
Sophie keek naar het meisje.
Lotte schudde haar hoofd.
“Mijn dochter kan niet hard rennen.”
Sophie knielde naast haar.
“Hoe heet ze?”
“Emma.”
Sophie keek naar het kleine meisje.
“Emma, wil je met mij mee?”
Het meisje knikte.
Sophie pakte haar hand.
Voor het eerst voelde ze geen angst voor Lotte.
Alleen medelijden.
Een harde klap boven hen.
Iemand was de slaapkamer binnengegaan.
“Ze zijn hier!”
Thomas keek naar Victor.
“Nu.”
Ze renden.
Door de keuken.
Een smalle gang.
Een houten deur.
Thomas trok eraan.
Op slot.
“Verdomme.”
Hij draaide zich om.
Voetstappen kwamen dichterbij.
Victor haalde een metalen voorwerp uit zijn jas en forceerde het slot.
De deur sprong open.
Koude regen sloeg in hun gezicht.
Ze renden naar buiten.
Sophie hield Emma vast.
Lotte liep vlak achter haar.
Maar Thomas bleef staan.
“Thomas!”
Hij keek terug naar het huis.
“Ik moet Anna helpen.”
Anna stond nog in de deuropening.
“Ga!” riep ze.
“Nu!”
Thomas wilde teruggaan.
Sophie greep zijn arm.
“Je komt met ons mee.”
Hij keek haar aan.
“Als ik nu vertrek, vernietigen ze alles.”
“Dan vernietigen we het samen.”
Een seconde lang keek hij haar alleen maar aan.
Toen knikte hij.
Ze renden naar de auto.
De detective startte de motor.
Een seconde later schoten ze de oprijlaan af.
Achter hen verschenen twee zwarte auto's.
Ze volgden.
Sophie keek door de achterruit.
“Ze zitten achter ons.”
Victor keek naar de detective.
“Hoe lang?”
“Een paar minuten.”
Thomas keek naar zijn telefoon.
“Ze hebben waarschijnlijk een tracker op ons.”
“Hoe weet je dat?”
“Omdat ze te snel zijn.”
Hij pakte zijn telefoon en brak hem in tweeën.
Sophie keek hem geschrokken aan.
“Waarom deed je dat?”
“Daarom.”
Hij wees naar het dashboard.
Een klein rood lampje knipperde.
De detective keek ernaar.
“Dat is geen onderdeel van mijn auto.”
Victor boog zich naar voren.
“Stop niet.”
De achtervolging duurde bijna twintig minuten.
Tot de detective plotseling een onverharde weg insloeg.
De auto schudde.
Takjes sloegen tegen de ramen.
De twee zwarte auto's reden voorbij.
Iedereen hield zijn adem in.
Pas toen de stilte terugkeerde, stopte de detective.
Thomas keek naar Sophie.
“Je moet naar Amsterdam.”
“Dat zei je al.”
“Maar nu weet ik waarom.”
“Welke rekening?”
Thomas haalde een klein metalen sleuteltje uit zijn jas.
“Dit is de sleutel.”
Sophie pakte hem.
Op het label stond slechts één nummer.
417.
“Waar is dit van?”
“Een kluis.”
“Waar?”
Thomas keek haar aan.
“Amsterdam Centraal.”
Sophie fronste.
“Een kluis op een station?”
“Ja.”
“En wat zit erin?”
Thomas slikte.
“Het bewijs dat mijn vader niet de enige was die twintig jaar geleden werd vermoord.”
Sophie voelde haar maag samentrekken.
“Wie nog meer?”
Thomas keek uit het raam.
“Mijn vader had een partner.”
“Wie?”
Hij antwoordde zacht:
“Jouw vader.”
Sophie verstijfde.
“Mijn vader?”
Thomas knikte.
“En volgens de documenten die ik heb gezien…”
Hij stopte.
“Wat?”
“Je vader heeft zijn eigen dood in scène gezet.”
Sophie keek hem ongelovig aan.
“Dat kan niet.”
Thomas keek haar recht aan.
“Dan moeten we uitzoeken waarom hij dat deed.”
Op dat moment trilde Sophie's telefoon.
Een onbekend nummer.
Ze nam niet op.
Het nummer belde opnieuw.
Daarna verscheen een bericht.
JE HOEFT NIET NAAR AMSTERDAM TE GAAN.
Een tweede bericht volgde.
DE REKENING IS AL GEOPEND.
Sophie voelde haar bloed koud worden.
En toen kwam het derde bericht.
DOOR JE VADER.






